De Indiër

Kort verhaal mei 2019

Wilfried Raetzel roerde in zijn koffie. Vannacht had hij alweer gedroomd over die dode man. ‘Het kon niet anders’ mompelde Wilfried in gedachten tegen de stem die onlangs in zijn hoofd met hem was gaan praten. Het was een vrouwelijke stem die op een zangerige toon tot hem sprak alsof elke zin deel uitmaakte van een lofzang op het leven.

‘We waren een roedel bloeddorstige hyena’s’. De stem in zijn hoofd humde en Wilfried praatte verder. ‘Ik haatte de banaliteit en het ongeremde geweld van mijn familie. Ik wilde de wereld ontdekken, begrijpen…’

De stem in zijn hoofd viel hem zachtjes in de reden: ‘Je wilde de wereld beheersen, bezitten.’

….liefhebben….’

‘Met geweld?’

‘…. geliefd zijn’

De toon van de stem veranderde: ‘Door te doden en te roven?’

Wilfried zweeg.

‘Ik had geen keuze.’ zei hij even later verongelijkt. ‘Als ik het niet deed hadden zij het wel gedaan’. Hij wist dat dit niet de juiste antwoorden waren. Er waren geen goede antwoorden. De stem drong niet meer aan, ze had haar doel bereikt.

De dode man in de droom was in werkelijkheid Wilfrieds eerste schuldenaar geweest. Maandelijks haalde hij de aflossing met de gebruikelijke woekerrente bij hem op. Hij praatte dan uren met de man. Hij hield van die gesprekken. Voor het eerst in zijn leven kreeg hij aandacht, werd er naar hem geluisterd en zijn ideeën en verlangens niet belachelijk gemaakt. Zo nu en dan vertelde de man hem een verhaal uit zijn geboorteland India. Op een dag vertelde hij de mythe van de Draak. Wilfried was direct gefascineerd door dit mythische beest dat al sinds mensenheugenis en lang daarvoor door het universum zweefde. De draak had twee koppen, één van het Licht en één van het Duister, die beide streden om de heerschappij. Eens in de zoveel tijd lukte het de een om de kop van de ander van de romp te scheuren en die op te vreten. Die kop groeide in de loop der tijd weer aan, waarna het gevecht weer begon en het lot van de mensheid opnieuw werd bepaald.

Wilfried kon na dit verhaal aan niets anders meer denken. Hij herkende zich in de draak. Ook in hem streed zijn verlangen naar liefde en erkenning met zijn misdadige inborst. De draak had hem in zijn macht en Wilfried leed onder het constante gevecht in zijn hoofd. Dagen en nachten lag hij op zijn bed en keek vol afgrijzen naar de twee happende koppen. Soms, diep in de nacht, voelde hij de draak langs zijn lijf glijden en met zijn scherpe schubben zijn huid opscheuren. Tot hij op een ochtend zwetend wakker werd en wist dat zijn innerlijke strijd was beslecht. Hij stond op en liep direct naar de winkel van de man. Hij opende deur. Door het rinkelende belletje keek de man op van zijn werk en vroeg vriendelijk wat Wilfried kwam doen. ‘Waarom heb jij mij dat verhaal verteld?’ vroeg Wilfried en keek de man dreigend aan. ‘Wilde je mij gek maken en zo van je schuld afkomen?’

‘Ach jongen’ zei de man, ‘dat was toch maar een verhaal en legde zijn arm op zijn schouder.’ Wilfried zag de man niet meer. Hij keek recht in de ogen van een van de koppen van draak. ‘Jij bent de draak’ schreeuwde hij, rukte zich los en deinsde terug. Zijn hand trilde van angst toen hij de schaar die op de tafel lag pakte en hals van de kop die hem aanstaarde doorboorde. Ergens in de verte hoorde hij het gekrijs van een man maar die werkelijkheid drong niet tot hem door. Wilfried proefde de bloedspatten op zijn lippen en voelde voor het voor het eerst de woede en opwinding die hij hierna nog vaak zou ervaren. ‘Hak hem af’ beval de andere kop en hij hakte wild in op de kop die hij zojuist had doorboord. Toen werd het stil en Wilfried zag de man lag op de grond liggen. Bloed sijpelde uit vele wonden. Wilfried verstijfde toen hij de bebloede schaar in zijn handen zag. Huilend boog hij zich over de man en probeerde in paniek de bloedingen te stelpen, maar zijn handen waren te klein en de verwondingen te veel, te groot, te diep.

Met deze brute moord verloor hij niet alleen zijn naam, men noemde hem voortaan ‘de Indiër’, maar verbande hij ook zijn verlangen naar liefde en erkenning voor wie hij werkelijk wilde zijn uit zijn leven.

#

Alyan landde precies op tijd. Ze liep door de gate en haalde haar koffers van de band. In de verte zag zij Wilfried staan en ze voelde een steek in haar onderbuik. Ze liep op hem af en begroette hem hartelijk, warm en gulzig. Ze voelde zijn gespannen spieren onder zijn witte linnen overhemd. Altijd spanning dacht ze, altijd op z’n hoede.

‘Goede reis gehad?’ vroeg Wilfried en boog zich om haar koffers te pakken. ‘Jezus, wat zijn die zwaar.’ grapte hij. ‘Heb je de hele Kasjmir meegenomen?’.

‘Ondeugenderd’ antwoordde ze uitdagend en kneep hem zachtjes in zijn wang.

Die avond gingen ze vroeg naar bed. Wilfried lag op zijn zij en keek naar zijn slapende geliefde. Als goedheid een vorm heeft dan ziet het er zo uit dacht hij. Sinds hij haar kende leek alles anders te zijn. Liever en lichter. Door haar begon hij voor het eerst in zijn leven erin te geloven dat ook hij kon liefhebben en een goed mens kon zijn.

In zijn slaap hoorde hij de vrouwenstem weer. ‘Die kleermaker, waarom moest die dood? Wat had hij jou aangedaan? Wilfried kreunde. ‘Was het zijn goedheid, beschaving, verfijning?’ Dat wilde jij toch ook? Waarom hem dan vermoorden? Was je jaloers? Als gloeiende kanonskogels vuurde ze haar vragen op hem af.

De stem zweeg om Wilfried de gelegenheid te geven om te antwoorden. Maar het bleef stil.

‘Je was bang hé, Wilfried. Doodsbang om die ellendige cyclus van geweld en platvloersheid te doorbreken. Te laf om de man te zijn die de Raetzels daadwerkelijk uit de giftige zwaveldampen van de onderwereld zou bevrijden. Te beducht voor de spotternij van je duivelse familie. Die razernij om waar je zo naar verlangende maar niet durfde, die laffe woede, dat is de arme kleermaker fataal geworden.’

‘Maar hij was de draak.’ schreeuwde hij huilend. In het halfdonker zocht hij naar de troostende lippen van Alyan, die hij niet vond. Hij gooide dekens van zich af en liep de slaapkamer uit op zoek naar zijn geliefde.

Alyan stond in de bakkamer en keek in de spiegel en keek zichzelf in de ogen. ‘Ik moet opschieten’ de woorden joegen door haar hoofd. ‘Opschieten, opschieten’ en opende de enige koffer die zij nog niet had uitgepakt. Alyan pakte het mes uit de koffer, pakte het bij het ivoren heft dat in de vorm van een draak was uitgesneden en draaide het met de scherpe kant naar boven zoals haar broer haar had gezegd toen hij haar het gaf. Ze hoorde Wilfried schreeuwen in de slaapkamer en zag hem de badkamer binnenkomen. Ze liet zich door hem omhelzen, rilde en stak het mes diep in zijn rug. ‘Voor Vijaya Naryan Khoshoo’ fluisterde ze in zijn oor, ‘de kleermaker, mijn vader.’ Wilfried duwde haar van zich af, wankelde en viel voorover op de grond. In zijn hoofd hoorde hij de hysterische lach van de vrouwenstem langzaam wegebben.

De draak dreef weg. Uit het gat waar een van de koppen had gezeten lekte een lichtgevende vloeistof die het universum even in een oogverblind licht zette.

Bronnen: Het idee van de mythe van de Tweekoppige Draak komt van de oorspronkelijk beschrijving van deze mythe in Salman Rushdies roman ‘Shalimar de Clown’.

Den Haag, april 2019, deels herschreven mei 2019

God ontwaakt

Mei 2017: Geschreven voor- en voorgedragen tijdens- de opening van de expositie van Harald Jassoy (www.jassoy.nl) en Nancy Kroon (www.kroonkunst.nl) te Wateringen 

Ooit had god al zijn bovennatuurlijke krachten gebruikt om een gloeiend balletje ter grootte van een tennisbal te maken en die met een krachtige zwieper de leegte in te werpen. Uitgeput van deze inspanning bleef hij miljarden jaren in het niets, om opeens weer te verschijnen. Hij was verbijsterd over wat hij aantrof. Sterrenstelsels, zwarte gaten, oogverblindende supernova’s en beeldschone nevels. Hij had ooit een balletje opgegooid maar dit had hij nooit verwacht. Hij zwierf een aantal eonen door het zich uitbreidende heelal, zag de schoonheid, de vernietigende krachten, de complexiteit en wist zeker, dit ga ik nooit snappen. Toen bedacht god ons, een instrument dat hem de kennis zou verschaffen over wat hij zelf in gang had gezet.

En zo geschiedde, hij haalde diep adem en blies het leven in het universum. Daarna verdween hij weer in het ‘niets’ en wachtte af hoe het leven zich zou ontwikkelen.

Op een dag ontwaakte god, hij rekte zich even uit en ging op zoek naar het resultaat van die ene zucht. Zijn verwachtingen waren hoog gespannen, zou zijn ademstoot de resultaten van zijn eerdere baldadigheid overtreffen? De hele dag had hij door het uitdijende universum gezworven. Nergens was een spoor van zijn adem terug te vinden. Totdat hij laat in de avond arriveerde in een uithoek van het heelal in een van de spiraalarmen van een melkwegstelsel. Daar vond hij de enige planeet waar zijn adem was neergeslagen en getransformeerd tot wat hij gehoopt had: intelligent leven. Verrukt daalde god neer op aarde, nam de gedaante aan van een aardbewoner en wandelde over de planeet.

Antwoorden, daar was god naar op zoek. Verklaringen die de geheimen van zijn schepping zouden blootleggen, zodat hij kon begrijpen wat hij had gemaakt. Al snel had hij in de gaten dat hij de antwoorden van de tweevoeters moest krijgen, het andere leven was interessant om te zien maar had geen idee wat ze op aarde deden.

Hij dwaalde rond en was overweldigd door de diversiteit die hij zag. Hij was trots op zichzelf toen hij de schoonheid van de natuur zag en wat de tweevoeters daarmee hadden gedaan. Maar het kriebelde ook een beetje. Net als in het heelal zag hij schoonheid en vernietiging hand in hand gaan en vroeg zich af waarom hij dit zo had gecreëerd. Het antwoord wist hij, moest van de zich mensen noemende tweevoeters komen.

Vele mensen kruisten zijn pad en vertelde hem verhalen, over de andere mensen, over hem, over hoe de wereld in elkaar zit en over zichzelf. Hij deelde hun plezier, huilde om hun verdriet en koesterde hun dromen. Hij hield echt van deze mensen.

Langzaam begon het hem te dagen wie degenen waren waarvan hij de antwoorden over zijn schepping zou kunnen krijgen.

De eerste groep die hij nader beschouwde waren de gelovigen, mensen die dachten dat zij hem kenden. Bibliotheken hadden ze over hem vol geschreven en imposante bouwwerken voor hem gebouwd. Hadden hem vele namen gegeven en buitengewone krachten toegedicht. Hoewel dat laatste klopte vond hij het curieus dat zij hem dachten te kennen. Al deze mensen die naar hem op zoek waren en stellig geloofden dat zij het wisten. Daar was het hem niet om te doen geweest. Hij wilde weten hoe het zat. Niet om te weten wie hij was, dat wist hij zelf al. Het ergerde hem, juist door zich aan dit droombeeld van hem vast te klampen deden ze niet waarvoor ze door hem geschapen waren.

De volgende groep die hij bestudeerde waren de wetenschappers. ‘Eureka!’ riep hij toen hij hun geschriften had gelezen. Eerst had hij gedacht dat zij behoorden tot de gelovigen, maar nadat hij zich door de immense papiermassa had geworsteld die zij in de loop der eeuwen hadden geproduceerd, vond hij de antwoorden waar hij naar zocht. Niet zo maar verzinsels maar antwoorden die waren gebaseerd op de fundamentele natuurkrachten van zijn schepping. De zwaartekracht, de elektromagnetische kracht, de sterke en de zwakke kernkracht. Het bracht hem terug naar het moment waarin hij alles in dat kleine balletje had gestopt. Het stemde hem weemoedig. Als die verstreken tijd, al die jaren van onwetendheid en nu, nu had hij antwoorden. Hoopvol las hij verder maar verloor zich in grillige complexiteit van de kwantummechanica.

Met een harde klap sloot hij het laatste boek. Hij wist genoeg, nog lang niet alles maar wat hij had gelezen stemde hem tot tevredenheid. Nog een paar honderd jaar, dan waren alle antwoorden wel gevonden en kon hij eindelijk genieten van wat hij had gemaakt. Hij verheugde zich er op en ach het wachten, dat was geen probleem voor hem als meester van de tijd en ruimte.

Net voordat hij wilde vertrekken zag hij haar zitten. In haar smetteloze witte jurkje kraste zij met een potlood op een groot wit vel papier. ‘Een boom’ zei ze toen hij naast haar ging zitten. ‘Een hele lieve’ voegde zij eraan toe en tekende ogen, een neus en een mond in het midden van de boom. ‘Kijk hij lacht en hij kan ook goed luisteren’ en zij tekende twee oren aan de stam. Een boom die lacht en kan luisteren dacht god, dat had hij nog nooit gezien.

En zo ontdekte god op de valreep de verbeelding en dompelde zich in deze wereld onder. Hier waren geen gelovigen, maar ook geen wetenschappers. Het waren mensen die verhalen vertelden, opschreven, schilderden, boetseerden en in klanken vertaalden. Van alle mensen die hij tegen was gekomen waren zij degenen die hem het meeste raakten. Hij was gefascineerd en verbaasd, dit had hij nooit bedoeld toen hij het universum het leven schonk. Hij genoot van wat hij zag en hoorde. En verwonderde zich over de oneindige verbeeldingskracht van degenen die dat maakten.

Kunstenaars noemde hij hen, mensen die kunst maken. Hij voelde een verwantschap met deze mensen. Net als hij scheppen zij nieuwe werelden. Hoewel, zij kunnen de werelden bedenken en uitbeelden, hij kan ze écht maken. Maar toch, iets goddelijks dichtte hij hen wel toe.

God was in zijn nopjes. Hij had prachtige dingen gezien, de mensen leren kennen, antwoorden gekregen en ontdekt wat hij niet voor mogelijk had gehouden. Mensen die zijn schepping herschiepen en nog mooier maakten. Voldaan vertrok god van de aarde naar zijn vertrouwde niets. Hij keek nog een keer om en zag dat het goed was.

Den Haag – Erichem, 6 mei 2017

Ik heb God gevonden

Juli 2016 een golf van terreur spoelt over Frankrijk en Duitsland

Verbaasd keek ik naar de trein die naast mij was gestopt. Volgens de dienstregeling had deze pas over een kwartier moeten komen. Ik stapte in en vroeg aan de conducteur of dit de trein naar Middelburg was. Hij gaf geen antwoord en sloot de deuren. Zijn smalle gezicht, dikke snor en de kleine ronde brillenglazen waar zijn zware wenkbrauwen op leken te rusten, deden hij mij denken aan een filosoof uit het begin van de vorige eeuw. Ik liep de trein in, opende de deur van een coupe en ging naast een goedgeklede man van middelbare leeftijd zitten. Hij was druk in de weer met zijn telefoon en vloekte in het Turks. Toen hij mij zag ging hij over op het Nederlands en mopperde: ‘Die klote Wi-Fi hier’. Hij deed mij denken aan Hitler, zelfde snorretje, zelfde priemende ogen, alleen een dikker hoofd. ‘Ik speel Pokémon Go en heb bijna alle levels gehad, de onderwijzers, academici, militairen, nu wil ik de upgrade naar de gewone man’ vertelde hij opgewonden. Hij stond op, prikte met zijn wijsvinger in mijn borst en schreeuwde: ‘In mijn treinen is altijd snelle Wi-Fi’, hij pauzeerde even, ‘het volk wil Wi-Fi? Dan krijgt het overal Wi-Fi. Dat is democratie’. In zijn mondhoeken hadden zich kleine speekselvlokjes gevormd wat hem een nog waanzinnigere uitdrukking gaf. De kale jongen die tegenover hem zat keek even op van zijn telefoon, zei met een Gronings accent ‘de asielzoekersupdate ging anders wel snel’ en veegde snel met zijn vinger over het schermpje. ‘Hebbes, weer een kinderverkrachter minder’, mompelde hij zichtbaar in zijn nopjes. Verontwaardigd verliet ik de coupe en liep naar de volgende. Daar zag ik een zwarte vrouw zitten. Het hoofd op haar borst, ze sliep. Het was Sylvana Simons, naast haar lag een stapeltje A4tjes. Ik ging stilletjes naast haar zitten en bladerde door de stapel. ‘Geheim’ stond boven een van de velletjes papier. Het ging over een ontmoeting tussen haar en Fleur Agema. In het stuk las ik over de erkenning dat zij zonder elkaar niet kunnen bestaan en zij daarom samen het racisme- en discriminatiedebat ook in de zomer levend wilden houden. Het plan heette ‘Zomerpiet’ en bevatte een frontale aanval op Monseigneur Cannibale in de Efteling. Bang dat ik betrapt zou worden legde ik het stapeltje weer recht en liep even stil als ik was gekomen achterwaarts de coupe uit.

In het smalle gangetje werd ik bijna omver gelopen door een luchtig geklede mevrouw met haar 3 dochters, die er naar extreem-islamitische maatstaven onzedig uitzagen. ‘Ik zou maar uitkijken meneer’ zei de moeder, ‘er zit daar zo’n rare vent’ en wees naar achteren. Ik sloeg er weinig acht op, zal wel weer zo’n hysterische sociale mediajunk zijn dacht ik. Aangekomen in de door haar aangewezen coupe zag ik 4 chinezen op een bank zitten. De oudste man had het levenloze lichaam van zijn zoon in zijn armen, tussen zijn vingers door drupten dikke druppels bloed op de vloer. Ik bood direct mijn hulp aan maar ze reageerden niet. Ik rende door de trein op zoek naar de conducteur. Ik passeerde een coupe en keek of ik daar de besnorde treinhost zag. Hij was daar niet maar er zat wel iemand. Ik trok de deur open en vroeg om hulp. De man leek mij niet op te merken. Op het tafeltje voor hem had hij een tiental LEGO poppetjes staan die hij met een speelgoedvrachtwagen omver reed. Een verstandelijk gehandicapte dacht ik, en ging op zoek naar de begeleider. Die er niet bleek te zijn.

In mijn zoektocht naar hulp was ik bij het einde van het treinstel gekomen en trok de zware deuren open die een sluis vormden naar het volgende treinstel. Het was hier een stuk warmer en ik rook de kruidige geur van wierook. Aan de wanden waren oosterse tapijten gedrapeerd en op de achtergrond hoorde ik het rustgevende getokkel van een harp. Het hele rijtuig zat vol ‘met goede en schone jonge vrouwen met mooie ogen wier witte doorschijnende gewaad hun ronde, niet hangende, volle borsten nauwelijks verborgen’. Een van de jonge vrouwen liep naar mij toe. ‘Mijn martelaar’, fluisterde zij in mijn oor, ‘wie heb jij met het zwaard van Allah’s toorn doorkliefd?’ Ik hoorde de vraag amper en riep opgewonden: ‘help me, er zit daar een man met een zwaar gewond kind in zijn armen’. Zij deed een stap terug. ‘Nou en? Hij zou het wel verdiend hebben’ zei ze. ‘Ben jij wel een Moedjahedien?’ vroeg ze dreigend. Ik wilde wegrennen maar de vrouwen versperden mijn pad. Met wild maaiende armen trachtte ik de muur van jonge vrouwenlichamen te slechten. Dat lieten zij zich niet zo maar welgevallen en krasten met hun nagels op mijn rug en sloegen met hun kleine vuisten in mijn gezicht. Uiteindelijk worstelde ik mij naar een deur en opende die. De vrouwen deinsden terug.

De deur viel achter mij dicht en er was stilte. Ik stond in een schemerige, kleine bedompte ruimte. Voor mij stond een kale stenen zetel. Boven de zetel hing een bord met daarop in half vervaagde letters geschreven: ‘Ik ben God en al de andere goden die hebben en zullen bestaan’. In weerwil van de pretentieuze boodschap was de stenen zitplaats leeg. ‘Als je hem zoekt, hier is hij’ zei een stem van achter de zetel. Ik liep er naartoe en zag de conducteur zitten. Naast hem lag een skelet in een vergane mantel, een lange staf nog in zijn benige handen geklemd. ‘Wie is dit’ vroeg ik. ‘God,’ zei de conducteur terwijl hij opstond. ‘Verbaasde mij eigenlijk niets, ik wist altijd al dat hij dood was’ voegde hij er aan toe. ‘Wanneer is dat gebeurd?’ vroeg ik. ‘Geen idee’ antwoordde de conducteur, ‘hij lag hier al toen ik kwam’. Geschokt keek ik naar het hoopje beenderen. De conducteur legde zijn hand op mijn schouder. ‘Kom, we zijn er’ zei hij zachtjes. Ik liep naar de deur gaf hem een hand en stapte uit. Het was dezelfde plek als waar ik was opgestapt. Het perron was vol maar niemand leek de trein op te merken. Ik keek op de klok, er was geen seconde verstreken tussen mijn vertrek en aankomst.

Ureterp-Den Haag-Erichem, 23 juli 2016

Pappa’s bontjas

juli 2016 Toevallige ontmoeting op het station

Ik heb een nieuwe gewoonte. Ik zorg er tegenwoordig voor dat ik een half uur eerder op het station ben. Dan koop ik een pakje sigaretten, een croissant en een koffie bij de Kiosk. Voor de ingang van het station rook ik dan een sigaret en kijk naar de mensen die het station in lopen. Tot acht uur zijn het vooral mannen met werkschoenen in blauwe broeken. Na half negen verandert de populatie. Dan verschijnen de mannen in pakken en vrouwen in rokjes. Het merendeel van de passanten ontwijkt mijn blik, maar zo nu en dan maakt er iemand oogcontact wat leidt tot een voorzichtige glimlach of een harde onverschillige blik. Vandaag was ook weer zo’n dag. Ik stond deze keer aan de achterzijde van het station, sigaret en koffie in de hand, croissant net op.

‘Meneer, heb u een peuk voor me?’ Ik draaide mij om en keek in het gezicht van een dame die ik op een jaar of 60 schatte. Het geblondeerde haar zag er verzorgd uit. Dat was ook het enige. Een dikke smoezelige bontjas rustte op haar schouders en onder haar roze gelakte vingernagels zaten dikke vuile randen. Aan elke  hand een volle plastic zak. Ik had verwacht dat ze onaangenaam zou ruiken, maar in tegendeel, er hing een aangename wat zoetige geur om haar heen. Haar platte beleefdheid en contrasterende verschijning maakte mij nieuwsgierig. Ik pakte een sigaret en gaf die aan haar.

‘Bedankt meneer, heb u ook vuur?’. Door de wind lukte het niet om haar een vuurtje te geven en ik bood haar mijn aansteker aan. ‘Nee, dat moet u doen’ antwoordde zij resoluut. ‘Dat lukt niet mevrouw, maar dan doen we het zo’. Ik drukte mijn brandende sigaret tegen die van haar. ‘Hoe noemden we dat vroeger ook al weer?’ vroeg ik. ‘Een overneukertje meneer’ antwoordde ze en zoog aan haar sigaret.

‘Teringlijers zijn het’ vervolgde zij ‘echte teringlijers, ze hebben de bontjas van mijn vader gejat’. Voordat ik het kon vragen gaf ze het antwoord ‘die officieren van justitie en die rechters’. Ze liep onrustig heen en weer en begon over haar advocaat te tieren. Die had alleen maar havo en zij atheneum. ‘En dan denk jij dat jij me ken helpen’ had ze tegen ‘die trut’ gezegd. Ik wilde graag weten waarom die bontjas was afgepakt maar durfde het niet te vragen en stelde een vraag over een neutraler onderwerp. ‘U komt uit Amsterdam zo te horen?’ Ze verstarde, mompelde iets onverstaanbaars en liep weg.

Ze kwam weer naar mij toe toen zij 2 politieagenten zag komen aanlopen. ‘Zo jongens, niks doen wat ik ook niet zou doen hé?’ riep ze hen toe. De agenten reageerden niet en stapten in hun auto. Dat was klaarblijkelijk niet de reactie die zij wilde en deed er nog een schepje bovenop. Ze trok haar bontjas open en ging heupwiegend voor de politieauto staan. Een van de agenten maakte oogcontact met mij en ik gaf hem een geruststellend knikje. Waarschijnlijk had zij dit al eerder gedaan en kende zij de grens, want op het moment de agenten de auto startten deed zij een stapje opzij en stopte de provocatie.

Ze vervolgde haar klaagzang. ‘Pappa’s bontjas, zijn spullen alles hebben ze weggenomen en straks mijn boeken ook nog, godverdomme‘. Ik kon mijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen en vroeg: ’moet u binnenkort weer naar de rechter dan? ’Weer schrok zij en deinsde terug. Pakte haar tassen en beet mij toe ‘jongen jij weet toch nergens van’. Met haar tassen slepend over de grond liep ze naar de stationshal. Nog één keer draaide zij zich naar mij om en riep ‘hoezo wil je met me mee dan’. Ze had haar bravoure weer gevonden en waggelde richting de stationshal.

Den Haag, 17 juli 2016