Het was de week voor Kerst dat Rutte nog even een natte scheet liet in het gezicht van de NPO, ze hadden Kerst niet genoemd in hun teaser voor de decembermaand. Een groteske verloochening van onze cultuur vond hij het. Dat de NPO deze intentie helemaal niet had en de teaser vol zat met beelden van kerstbomen en andere kerstprularia deed er klaarblijkelijk niet toe. Het was de dag na de jaarwisseling dat het ganse land bijna stikte in de verontwaardiging over het lafhartige bestoken van hulpverleners in de Schilderwijk, die vochten voor het leven van een zwaar gewonde agent. Een dag later bleek dat die hulpverleners helemaal niet waren lastig gevallen.In de week na de winst van Donald Trump werd vastgesteld dat gefrustreerde arbeiders uit ‘the rust belt’ deze windbuil op de troon hadden gehesen. Na een paar dagen waren het toch niet deze in hun trailerparcs wegkwijnende slachtoffers van de globalisering, maar bleek het de doorsnee Amerikaan te zijn geweest deze plaag over zichzelf had afgeroepen.
Gisteren was er het bericht dat 50 miljoen moslims geweld acceptabel vinden, alarmerend volgens velen en het bewijs dat de Islam gewelddadig is. 50 Miljoen is 3,5% van alle moslims (wat mij een fractie lijkt van het percentage Nederlanders dat tijdens de jaarwisseling dezelfde mening is toegedaan), 96,5% van de moslims (1,93 miljard) accepteert geweld niet. En dan was er nog dan de lang verwachte documentaire die het Nederlandse Volk zou doen inzien dat zij, veelal onbewust, discrimineren en in een witte bubbel leven die hen het zicht op de harde racistische werkelijkheid zou ontnemen.
En zo gooit iedereen zijn eigen kei naar beneden. Rotsblokken met daarop ‘moslims’, ‘racisten’, ‘onze cultuur’, ‘vrijheid van meningsuiting’. Dat deze keien ondertussen zijn uitgegroeid tot een lawine die, van brandstof voorzien door grote ongecontroleerde emoties, met ongekende kracht naar beneden raast realiseren zich maar weinigen. Het merendeel zwelgt in het eigen gelijk, ziet alleen zijn eigen steen en gooit er bij tijd en wijle nog een nieuwe bij. Een enkeling probeert de lawine te duiden, met als resultaat een nieuwe kei. Een voortrazende verwoestende stroom van botsende en over elkaar heen buitelende onzinnigheid. Ik zou er een steentje bij kunnen gooien, maar die zou ongemerkt opgeslokt worden door de razende steenmassa. Zinloos dus.
Laatst kreeg ik een e-mail van de school van mijn zoon. Er mag vanaf heden alleen nog worden gevoetbald met een zachte foambal stond erin. Dat was het compromis tussen de voetballers, de andere kinderen en het glaswerk. Eureka dacht ik. Laten we in plaats van keien, foamballen naar beneden gooien. Zachte balletjes die de harde botsingen voorkomen. Die je wel voelt als ze tegen je aankomen maar nauwelijks schade toebrengen. Foamballetjes in de vorm van ‘speelsheid’, ‘humor’, ‘relativering’ en ‘zelfspot’.
Foamballetjes gooien is zo veel leuker. Wetende dat jouw meningen en die van de anderen per definitie onzinnige, op gebakken lucht gebaseerde fantasietjes van de werkelijkheid zijn, (niemand kan de werkelijkheid zoals die nu is echt overzien, laat staan begrijpen. Mogelijk dat historici er over 100 jaar iets zinnigs over kunnen zeggen, maar de huidige bewoners van de planeet in ieder geval niet), voorkomt het borderline geblèr en biedt ruimte om de ander op ludieke wijze te beschimpen en uit te dagen. Soms de leukste en scherpste te zijn, soms het onderspit te delven. Gewoon een spelletje zonder slachtoffers, zonder schade.
Uiteindelijk kan niemand de lawine stoppen. Niemand weet waar die eindigt en wat de gevolgen zullen zijn. De tijdgeest noemen we dat. Maar zou toch een stuk aangenamer worden als we de kracht en snelheid waarmee het beest naar beneden dendert wat zouden kunnen temperen.
Een nieuw project ‘menselijke waardigheid’. Een actueel thema lijkt mij. Vragen als: wat is het, waar komt het vandaan, zitten er grenzen aan en vooral wat kan je ermee, (anders dan anderen er mee om de oren te slaan met ‘dat zij dat niet hebben’) staan centraal. Ondersteund door de onontbeerlijke intellectuele input van mijn goede vriend en filosoof Auke van Dijk probeer ik antwoorden te vinden op die vragen. Dit is het eerste inleidende artikel. Voor wie erin geïnteresseerd is en wil meedenken…
In den beginne….
In den beginne was er niets. Okay, bijna niets. Er was volgens sommigen een God, volgens anderen een gloeiende tennisbal. God besloot op een dag dat hij de duisternis zat was en creëerde het licht en het hele heelal. Wat er in het balletje is omgegaan weet iemand en explodeerde op een gegeven moment. De godvrezenden geloven dat God het ordenend principe is in de ontwikkeling van ‘wat is’, de balletjesmensen geloven dat de natuurkrachten het universum op grond van een tot nu toe onbegrijpelijke logica hebben gevormd tot wat het is. De vraag wie of wat de oorzaak en het leidende principe is zal nooit leiden tot een universele waarheid, maar voor dit verhaal doet mijn antwoord op die vraag er toe. Om het kort te houden, ik ben een balletjesmens.
Dit balletjesmens is geboren op 5 september 1963. Op de dag waarop ik ben geboren zijn er 185.000 baby’s geboren (het gemiddelde aantal geboortes per dag). Aangezien Ik rond 10 uur ben geboren – alle tweelingen en het feit het aantal geboortes per uur geen vaststaand gegeven is even daargelaten – moet ik tussen de 76.000 en 79.000ste baby van die dag zijn geweest. Al deze nieuwgeborenen hebben twee dingen gemeen, ze ervaren de wereld allemaal anders en handelen vanuit het beginsel dat de wereld die ze ervaren ook de echte is. Daaruit concluderen al deze mensen dat zij uniek zijn. Deze uniciteit is niet van alle tijden. In de Verlichting deed deze opvatting voor het eerst opgeld en pas veel later is dit gemeengoed geworden en vastgelegd in de Rechten van de Mens. Met de in de 20ste eeuw opkomende consumptiemaatschappij hebben vooral de afdelingen Marketing en PR handig op dit mensbeeld ingespeeld door de uniciteit van de mens als instrument te gebruiken om zo veel mogelijk massaproducten aan zich uniek achtende mensen te verkopen, maar dit terzijde.
Allemaal hetzelfde….
Uniciteit, wat is dat eigenlijk? Ik zal een poging doen dat te verklaren. Stel een beschaving ver van ons verwijderd heeft wat vage tekens van intelligent leven opgevangen en zijn in hun zoektocht naar de herkomst daarvan op onze blauwe planeet gestuit. Na hun ruimteschip in een stationaire baan om onze aarde te hebben geplaatst, daalt een verkenningsteam af. Hun glimmende pakken gloeien als vuurvliegjes wanneer zij de dampkring doorboren en er klinkt een zachte plof als zij het lichaamsdeel dat hen draagt op de aarde zetten. Als deze vreemdelingen een beetje slim zijn (en dat zullen zeker zijn als je bedenkt dat zij een afstand van miljoenen lichtjaren hebben moeten afleggen om ons te bereiken) landen zij op een plek waar ze niet snel ontdekt zullen worden. Voor het gemak gaan we er vanuit dat zij besloten hebben om op Halloween in een metropool te landen. Overweldigd zullen zij zijn door de grote verschijnend aan leven. Wezens met 1 arm, met 2 hoofden, zonder hoofd en ga zo maar door. In hun oneindige reis waren ze dat nog niet tegengekomen.
Tot de volgende dag, dan is alle verscheidenheid verdwenen en blijken alle wezens die zij toen zagen 2 armen, 1 hoofd, 2 benen en 10 vingers en tenen te hebben. Ook het inwendige blijkt hetzelfde te zijn bemerkten zij nadat zij enkele wezens hadden gevangen en ontleed. Zij concludeerden dan ook dat deze wezens alleen op lengte, breedte en kleur van elkaar verschillen, maar verder gelijk aan elkaar zijn. Teleurgesteld omdat zij zo’n lange reis hadden gemaakt die uiteindelijk leidde tot de ontdekking van een volk van duplicaten vertrokken zij weer en verwijderden de aarde voorgoed uit hun trans-galactische reisgids. Waren zij iets langer gebleven dan hadden zij achter de eenvormige uiterlijke verschijning van de mensheid een oneindige variëteit kunnen zien.
Overigens is door de statisticus Peter Grunwald berekend dat er tot nu toe 107,5 miljard mensen zijn geboren. De vraag is hoe dit zich verhoudt tot de uniciteit van de mens. Kan het zo zijn dat er ondertussen ergens een exacte kopie van mens nummer 10.000 rondloopt? Voor de uniciteit van de mens maakt het antwoord niet veel uit. Mens nummers 10.000 is allang vergaan en geen heeft geen enkele herinnering achter gelaten.
….en toch uniek
Als onderdeel van de mensheid zijn wij gewend om de verschillen waar te nemen. Zoals hierboven beschreven, als je niet behoort tot de mensheid zal je de verschillen amper zien. Toch acht ieder mens zich uniek en is dit een belangrijke pijler geworden onder het bouwwerk van de Menselijke Waardigheid.
Ieder mens wordt geboren met beperkte mogelijkheden. Hoewel er heel veel mogelijkheden zijn, zijn deze niet oneindig. De grens van de fysieke en mentale mogelijkheden van een mens wordt bepaald door de genetische aanleg ofwel de genen. Dit lijkt een statisch proces maar dat is het in de praktijk niet. Het feit dat genen ‘aangaan’ of ‘uitgaan’ is mede afhankelijk van de omgeving waarin de mens zich bevindt. Dit proces speelt zich al af voor de geboorte, moeders met veel stress of een ongezonde levensstijl zijn bepalend voor de mogelijkheden van hun kinderen. Volgens sommigen gaat dit nog verder terug, de toestand of omgeving van de ouders ten tijde van de conceptie is bepalend voor de kwaliteit van hun zaad— en eicellen (dus hun genen) en daarmee een belangrijke factor voor de mogelijkheden van het kind. Naast deze genetische variaties zijn er nog ontelbare factoren die invloed hebben op de ontwikkeling van een kind in de baarmoeder. Bijvoorbeeld, een griepje op een specifiek moment van de zwangerschap geeft een verhoogde kans op schizofrenie. Krijgt de aanstaande moeder dit in een later stadium van de zwangerschap dan is het risico nihil.
Gemiddeld na 9 maanden komt de baby met al zijn of haar unieke eigenschappen tevoorschijn. De hardware is gereed, nu nog de content. Die wordt in de eerste jaren bepaald door de ouders en in het bijzonder de moeder. In die periode vinden de eerste confrontaties plaats tussen de binnenwereld van het kind en de buitenwereld. Behoeften komen op in de binnenwereld, worden geuit naar de buitenwereld en de buitenwereld reageert daarop. Daarmee begint ook het proces dat het hele leven doorgaat. Naar mate het kind ouder wordt is het meer instaat om zijn of haar eigen behoeftes te vervullen, maar ieder mensenleven wordt gekenmerkt door vervulde en onvervulde behoeftes. Onvervulde behoeftes worden ervaren als onaangenaam een tekort en dienen vervuld te worden. Vervulde behoeftes zorgen voor en gevoel van stabiliteit en geluk.
In de opvoeding en vooral de eerste jaren waarin het kind volledig afhankelijk is van de ouders en niet in staat is om de eigen behoefte te vervullen wordt de kern gelegd voor een gelukkig of ongelukkig leven. Worden de behoeftes van een kind (veiligheid, lichamelijk contact, eten en drinken) vervuld of genegeerd of met straffen en belonen gemanipuleerd dan zal dat een blijvend effect hebben op het kind en later de volwassene. Ook hier blijken uit recent onderzoek de genen een rol te spelen. De hersenen van kinderen die in hun jeugd traumatische ervaringen hebben meegemaakt blijken zich anders te ontwikkelen dan kinderen die dat niet hebben meegemaakt.
Naast de mogelijkheden en de onmogelijkheden waarmee wij geboren worden is wat wij in onze (prille) jeugd meemaken een bepalende factor voor onze uniciteit. Wat wij nastreven en hoe wij dat uiten is in belangrijke mate afhankelijk van wat wij als kind geleerd, ontvangen en gemist hebben.
……uniek en duseen waardevol leven?
Ieder mens is uniek. De Joodse filosofe Hannah Arendt heeft er zelfs een term voor bedacht: ‘nataliteit’, waarmee zij bedoelde: iedere geboorte brengt werkelijk iets nieuws in de wereld. Dat is een mooie gedachte. Echter ‘iets nieuws’ zegt iets over de verschijning maar niet over de waarde van dat nieuwe. Is ieder leven waardevol genoeg om te leven? Stel dat de mensheid ooit het tijdreizen mogelijk maakt. Is het dan gerechtvaardigd dat ik extra gas geef als ik de kleine Adolf Hitler op zijn driewielertje de weg zie oversteken? Mijn 11 jarige zoon antwoordde volmondig ‘nee’ op deze vraag, Zijn redenering was dat je weet nooit kunt weten wat zijn werkelijke waarde is geweest. Hoeveel leed is er vóórkomen door Adolf Hitler? Hoeveel potentiële massamoordenaars zijn er doordat de 2de wereldoorlog uitbrak gedood alvorens zij tot hun waanzinnige daden konden komen. Hoeveel ellendige levens zijn voorkomen doordat de slechte opvoeders nooit tot voorplanting zijn gekomen? Meer dan 40 miljoen, het totale aantal slachtoffer van de 2de wereldoorlog? Weegt dat op tegen de onvoorstelbare verschrikkingen die hij over de wereld heeft uitgestort, de levens die uit zijn naam zijn vernietigd en al het menselijk potentieel dat vernietigd is? Een mooi thema voor een sciencefiction verhaal, maar een onmogelijke vraag om te beantwoorden. Echter deze vraag is wel illustratief voor het vraagstuk over een waardevol leven.
Meer hedendaagse vragen zijn, mag je abortus plegen en daarmee een ontwikkelend uniek wezen vernietigen? Mag je de beademingsmachine uitschakelen bij een comapatiënt? Mag je iemand de doodstraf geven? Kortom allemaal vragen waar één centrale vraag aan ten grondslag ligt ‘wanneer is een leven waardevol?’
Om antwoorden op deze vragen te krijgen is enkel en alleen het feit dat de mens uniek is onvoldoende. Er spelen meer waarden mee. Wat is een waardevol leven en wie bepaalt dit? Daarmee zijn we aanbeland bij de ‘menselijke waardigheid’. Een waardevol leven en de menselijke waardigheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Althans dat vinden we nu. Anders dan de eerder genoemde ontwikkeling van vrucht tot individu wat zich chaotisch maar zich lineair lijkt af te spelen af te spelen, is de ‘menselijke waardigheid’ een begrip dat haar betekenis heeft gekregen door een grillig denkproces dat in de loop de eeuwen een moreel kader heeft opgeleverd, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.
Menselijke waardigheid, wat is dat? Waar komt het vandaan en hoe verhoud ik mij daartoe? Vragen waarop ik zal proberen in het vervolg van dit schrijfsel de antwoorden te vinden.
Den Haag – Erichem, 6 november 2016 – deels herschreven 18 december 2016
Column geschreven voor de nieuwsbrief van het adviesbureau Bosman & Vos
Of ik ook een stukje appeltaart wil. ‘Nou dat sla ik niet af’ antwoordde ik. Het was het derde stuk gebak van die dag. Elk team lijkt mijn komst te vieren, althans dat maak ik mijzelf maar wijs. Vaak heb ik levendige gesprekken met de teams. Over hun werk, over de samenwerking en steevast over wat het management niet goed doet. Ook bij dit team was er veel kritiek op de manager. Ik vroeg of ze dit al hadden besproken. ’Ja maar ze luisteren toch niet’ was het antwoord. Ik vroeg nog een keer door. ’Nou ja besproken, we hebben een mail gestuurd, maar natuurlijk geen antwoord gekregen’. Dit is het laaghangende fruit voor de teamcoach. Na wat vragen waarop het antwoord alleen maar ‘ja’ kon zijn (sturen als teamcoach is uit den boze, zoals u weet) besloot het team om ‘het’ met de manager te bespreken. Ik zou er bij zijn om dit te begeleiden.
Een week later zit het team weer bij elkaar en schuift de manager aan. Deze keer geen appeltaart. De teamleden wiebelen wat ongemakkelijk op hun stoel. Een teamlid neemt het woord en vertelt in abstracto waarom ze hier bij elkaar zijn. Aarzelend komt het gesprek opgang. Niets herinnert meer aan het team uit de vorige bijeenkomst, dat op bevlogen wijze over hun werk vertelde en de eerlijkheid waarop zij hun kritiek verwoordden.
Zo zie ik het wel vaker. De uitingsvorm is verschillend, sommige teams vallen stil, anderen zetten er nog een tandje bij en bestoken het management met verwijten. De uitkomst is steeds hetzelfde: geen contact, geen verbinding. Ieder in hun eigen wereld hardwerkend aan de doelstelling van de organisatie. Tussen deze werelden bevindt zich een niemandsland waar procedures, beleid en opdrachten van boven naar beneden razen. Terwijl dit nu juist het gebied is waar het zich zou moeten afspelen. Daar wordt betekenis gegeven aan de waarden van de organisatie die zo mooi op de website staan. Daar kunnen vernieuwende, onorthodoxe werkwijzen bedacht worden en ligt de ruimte voor mensen om daadwerkelijk hun betrokkenheid bij de organisatie zichtbaar te maken. Kortom dáár ontwikkelt de organisatie zich. Geen niemandsland maar het land van iedereen.
Laatst sprak ik met de staf van de organisatie over dit niemandsland. Ook zij herkenden gescheiden werelden tussen staf en uitvoering. Een van de stafleden besloot om de volgende vergadering met de teams geen protocollen en procedures te sturen maar een lege agenda. Dat leek mij een goed begin. Neem een initiatief, stap eens uit de verstikkende vergadermal met de daarbij behorende rituelen en gedragingen. Verander de omstandigheden, de structuur en vooral: wees je bewust van je eigen gedrag. Grote kans dat de appeltaart weer op tafel komt.
Vernieling van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen op 20 augustus 1566.(gravure gemaakt door Frans Hogenberg)
Daar lag hij, in stukken gehakt en later weer provisorisch in elkaar gezet. De kuiten ontbraken en van het gelaat waren alleen de oogkassen en de neus nog enigszins herkenbaar. Een afzichtelijk overblijfsel van een terroristische daad. Hij ligt daar al eeuwen in de Dom van Utrecht, slachtoffer van de Beeldenstorm tijdens de Reformatie. Aan stukken gehakt door fanatieke reformanten die met hun vernielzucht niet onderdeden voor de jihadisten die in Palmyra de boel kort en klein sloegen.
De Beeldenstorm duurde niet langer dan 3 maanden, van augustus tot november 1566. In die periode zijn honderden eeuwenoude kunstschatten vernietigd, bibliotheken afgebrand, kerken en abdijen geplunderd. Net al de jihadisten in Palmyra werden de reformanten geïnspireerd door hun interpretatie van een heilig geacht geschrift. In werkelijkheid had de Beeldenstorm maar één doel. Door het vernietigen van de symbolen van de macht, hoopte men de daadwerkelijke macht van de Katholiek kerk die daarachter verscholen ging te breken. Uiteindelijk zorgde deze uitwas tot de komst van de ‘IJzeren Hertog van Alva’ en een jarenlange bloederige Spaanse terreur.
We zijn nu exact 450 jaar verder in de tijd. Het vernielen van beelden en het verbranden van boeken worden gezien als misdadig en streng gestraft. Het centrum van de macht ligt niet meer bij één instituut dat zijn legitimatie vindt in een heilig geschrift maar is getransformeerd tot nationale en internationale instituties waaraan humanistische waarden ten grondslag liggen. De Tien Geboden zijn vervangen door de Rechten van de Mens; vreedzaamheid, gerechtigheid, gelijkheid en voorspoed. Dit heeft geleid tot een ongekend lange periode van vrede en welvaart…….althans in de westerse wereld.
Maar er is ongenoegen. Hoezo gerechtigheid als blijkt dat het pensioen waarvoor ik mijn leven heb gespaard minder opbrengt dan verwacht en degenen die dat veroorzaakt hebben daar niet voor worden gestraft? Hoezo gelijkheid als blijkt dat de elite elkaar de baantjes toespeelt en nieuwkomers meer krijgen dan ik? Hoezo voorspoed als blijkt dat mij kinderen het slechter krijgen dan ik en mijn ouders zitten te verpieteren in een vervuild huis? Hoezo vreedzaamheid als blijkt dat ik elk moment door een gestoorde gek op de korrel kan worden genomen en er willens-en-wetens met vuur wordt gespeeld in de voortuin van onze machtige en onvoorspelbare oosterbuur?
Ondertussen kalvert het Westerse imago van onverwinnelijkheid en onbegrensde welvaart snel af. Duizenden mensen zijn op drift en zoeken hun heil in de (nog immer) tolerante en rechtvaardige Westerse verzorgingsstaten die daardoor geconfronteerd worden met existentiële vragen over diversiteit, solidariteit en eigenheid. Tegelijkertijd wordt de wereldkaart van de economische en militaire macht voor de komende decennia ingekleurd door de opkomende en bestaande grootmachten. Om nog maar te zwijgen over de enorme gevolgen die de klimaatsverandering zal hebben op het machtsevenwicht in de wereld. Dat vraagt om sterke politieke, economische en militaire macht die is geconcentreerd in solide en betrouwbare instituties. De realiteit is het tegenovergestelde. De economische groei stagneert waarschijnlijk langdurig, defensie is een sluitpost op de begroting geworden en het politieke landschap is versnipperd. De bestaande instituties zijn in zichzelf gekeerd en raken hun gezag kwijt. De politiek bestaat volgens velen uit opvreters en leugenaars, de rechtsorde wordt geconstrueerd en gehandhaafd door slapjanussen en pennenlikkers, de verzorgingsstaat wordt leeggezogen door profiteurs en de EU bestaat uit een dictatoriale bureaucratische elite die uit louter eigen belang handelt. Een mooie illustratie van dit gezagsverlies was het koddige – maar zeer serieus bedoelde – spandoek ‘de VN moet zwijgen’ dat door boze pro-Piet demonstranten over het Malieveld werd gedragen.
Dit alles lijkt een nieuwe Beeldenstorm op gang te brengen. Deze keer zijn de symbolen van de macht niet de kunstschatten of kerken maar de waarden waarop de instituties zijn gebaseerd en de wetten, regels en verdragen die zij produceren. Verdragen worden weggestemd op basis van halve waarheden en zonder enige verantwoordelijkheid te nemen voor de gevolgen. Landen verlaten samenwerkingsverbanden of dreigen daarmee om hun zin te krijgen. Eigen belang staat voorop bij het nemen van collectieve besluiten en belangen van minderheden worden geridiculiseerd: ‘anders pleur je toch gewoon op als je het hier zo slecht vindt’. Grenzen gaan dicht voor gelukzoekende vreemdelingen en de verzorgingsstaat wordt onder het nom van ‘eigen regie’ rücksichtslos afgebroken.
Oude dogma’s die hun oorsprong vinden in de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog en economische theorieën waarin menselijkheid en duurzaamheid ondergeschikt zijn aan groei en bezit bepalen nu nog het landschap. Deze oude wetmatigheden bieden geen oplossingen meer en stagneren de ontwikkeling van vernieuwende ideeën en vergezichten die kunnen leiden tot onconventionele oplossingen. Tijd voor een fundamentele verandering. Die leek er te komen. Aan het begin van de financiële crisis leek er ruimte te zijn voor een verandering. Er is zelfs een Amerikaanse president op basis van dat thema gekozen. Maar helaas, die stemmen zijn verstomd en alles is bij het oude gebleven of zelfs verslechterd, getuige het feit dat 40% van de Amerikanen bereid is te stemmen op een vrouwenhater, isolationist en racist. De rest stemt op een 70 jaar oude dame die is opgegroeid in een vermolmd en amoreel politiek systeem.
Wat lijkt te resteren is de onmacht die zich manifesteert in de nietsontziende vernietiging van de symbolen van de macht en daarmee de macht zelf. Wat dan overblijft is een weerloos land en continent. Als dit zich zo doorzet is het, het wachten op de nieuwe IJzeren Hertog. Een vacature die waarschijnlijk niet moeilijk te vervullen zal zijn.
september 2016: de ENMS viert haar 100 jarig bestaan
De Montessorischool van mijn jongste zoon bestaat honderd jaar. Dat moet gevierd worden. Gedurende een hele week worden festiviteiten georganiseerd om dit feit te herdenken. Er is een feestcommissie geïnstalleerd die een nostalgisch programma in elkaar heeft geknutseld. Een eeuw is lang en het is leuk voor de kinderen dat ze op speelse wijze een idee krijgen over het tijdsgewricht waarin de school is opgericht. Honderd jaar geleden, toen vond in Europa de eerste massaslachting plaats. Honderdduizenden verloren het leven en nog veel meer waren voor het leven lichamelijk en geestelijk gehandicapt. Maar er waren ook opbeurende gebeurtenissen. De bedenker van Tita tovenaar, Lo Hartog van Banda, de schrijver Roald Dahl en cabaretier Toon Hermans zagen in dat jaar het levenslicht. Ook niet geheel onbelangrijk, in 1916 werd het manifest gepubliceerd dat het Dadaïsme een smoel gaf en even later een absurdistische revolutie in de kunst teweegbracht. Met een beetje fantasie zou je daar wat van kunnen maken. Maar nee, de feestcommissie heeft besloten dat het thema voor de feestweek ‘Ot en Sien’ wordt. Beiden kleuters zijn in 1904 bedacht door twee schrijvers, klaarblijkelijk was de thematiek te complex voor het brein van één volwassene. Kort samengevat is het verhaal van Ot en Sien een soort ‘little house on the prairie’, oubollige kitsch dat zich afspeelt in het arme, agrarische en godvrezende Drenthe.
Ik had een heel ander idee. We bouwen de speelplaats om tot een replica van een van de slagvelden van de 1ste wereldoorlog. Verdelen de kinderen in ‘Duitsers’ en ‘Engelsen’, geven ze een nerfgeweer en laten ze de loopgraven bestormen. De jongens met een griezelig uitziend gasmasker, de meisjes in met ketchup besmeurd verpleegstersuniform. Als het gevecht op zijn hoogtepunt is, klapt het blondste meisje van de school in haar handen en dan staat alles stil. De schoolleiding doet dan op het slagveld een sketchje van Toon Hermans. Ik ben er nog niet uit of het die van de ‘hiiiieeer die bal’ wordt of ‘de poelifinario’. Daarna klapt het blondste meisje weer in haar handen en de kinderen vervolgen hun stormloop. Aan het einde krijgt iedereen een chocoladereep. Degene met de gouden wikkel moet de rest van het jaar verkleed als het Grobbekuiken de lessen volgen. Daarna doen we een kringgesprek waarin een en ander in het historisch perspectief wordt geduid. Uitdagend, sluit aan bij hun niveau, spannend en de kinderen krijgen ook nog een historisch besef mee. Ervarend leren noemen we dat. Maria Montessori zou trots op mij zijn. Helaas heeft de feestcommissie mij verzoek tot deelname niet gehonoreerd en heeft zij nooit weet gehad van dit enigszins onconventionele maar sublieme idee…….
…..en dus koos men Ot en Sien. Teleurstellend en fantasieloos maar niet overkomelijk, dacht ik. Totdat ik een mail van school ontving. Alle kinderen worden geacht in de feestweek in Ot en Sien kleding op school te komen. ‘Hoe krijg ik mijn 11 jarige zoon zover dat hij zich in een Ot-en-Sien-pak hijst?’, ‘hoe ziet zo’n pak er uit?’ en ‘waar kan ik dat krijgen?’ worden dan ineens existentiële vraagstukken. Gelukkig is de feestcommissie praktisch ingesteld. Vandaag kregen we een appbericht van een moeder, zij verhuurt Ot en Sien pakken voor 6 euro per week. Ik ben er nog niet achter wat haar relatie tot de feestcommissie is. De school heeft een oplossing gevonden voor weigerachtige leerlingen, die zijn niet welkom gedurende de feestweek.
Uiteindelijk zit er voor hem niets anders op dan als een armentierige agrariër het honderd jarige jubileum van zijn school te vieren. Zijn nerfgeweer hebben we opgeborgen, misschien is dat nog wat voor in de herfstvakantie.
september 2016: politie wordt gepest in Zaandam, Nederland in rep en roer
De politie wordt gepest, in Zaandam wel te verstaan. Afhankelijk van kleur van de media waarop het nieuws wordt gebracht ligt de nadruk op het gedrag in combinatie met de etniciteit of gedrag in combinatie met de maatschappelijke achterstand. Dat het gewoon vervelende kereltjes zijn die je in elk dorp in Nederland kunt tegenkomen heb ik nog nergens gelezen. Ook de premier heeft zich weer eens van zijn beste kant laten zien. Als een ware Topper hield hij de natie voor dat het gewoon tuig van de richel is. De politie verbergt zich ondertussen onder de dikke warme deken van het slachtofferschap. Zij kunnen er weinig aandoen, missen bevoegdheden. Kortom, die vermaledijde D66 rechters zouden eens wat strenger moeten straffen en die wegkijkers in Den Haag zouden de wet aan moeten passen. Een terroristische aanslag of lefgozertjes, het refrein is steeds hetzelfde.
Ik ben opgegroeid in een buurt waar de politie jennen een wijdverbreid gebruik was. We zochten het niet op maar als de kans zich voordeed lieten we die niet lopen. Ooit werden we een keer aangehouden. We zaten met z’n vieren in de auto, politiewagen achter ons, stopsignaal, gewoon doorrijden, klemgereden. Een politieagent rukte de deur open en schreeuwde: ‘als ik zeg stoppen dan is het stoppen, begrepen?. ‘Je hebt je pet niet op, dus ben je niet in volledig uniform en dan mag je ons helemaal niet laten stoppen’ jende degene achter het stuur en trok de deur dicht. Geen van ons wist of deze redenering wel klopte, maar het klonk plausibel. Een tweede agent kwam, een derde en een vierde stapte uit hun Mercedes. Een intimiderend gesprek volgde, dat eindigde met de zin ‘de volgende keer rijden we je achterkant eraf, dat recht hebben we’. Joelend namen we afscheid van de dienders die nu wel hun pet op hadden, waar wij hen nog even fijntjes op attendeerden.
Een ander voorbeeld van een geslaagde jennerij was toen de boulevard over de gehele lengte was afgezet met dranghekken. De volgende dag zou er een strandrace zijn. Om te voorkomen dat de overenthousiaste bezoekers op het strand te pletter zouden vallen was de afscheiding aan de rand van de boulevard geplaatst. De hekken waren aan elkaar vastgehaakt en vormden gezamenlijk een hekwerk van ongeveer 2 kilometer lengte. Een paar van deze dranghekken om gooien zou een domino-effect hebben. Aldus geschiedde, in mum van tijd lag 100 meter hek op het strand. Dat hadden wij niet gedaan, maar dat wisten de agenten die ons aanhielden niet. Een pesterig gesprek ontspon zich waarin wij expres de beschuldiging niet ontkenden en de, door ons vermeende, visuele handicap van beiden agenten een prominente rol lieten innemen. Hoe graag zij het ook wilden, ze konden niet bewijzen dat wij dat hadden gedaan en dropen af. Even later liepen we door een verlaten straat. Uit een zijstraat kwam een politiewagen op ons inrijden. Niet heel snel maar hard genoeg om ons de stuipen op het lijf te jagen. We stoven uiteen en ik zag een van de agenten nog lachend naar mij zwaaien. De verhoudingen waren weer even recht gezet.
Soms werd het wat grimmiger. Zo ben ik ooit ’s nachts uit het niets door een agent tegen de muur gegooid omdat hij dacht dat ik in een gestolen auto iemand had aangereden. Gelukkig had hij een collega die de onsterfelijke woorden sprak: ‘Kees, het was een Mini Cooper’. Ik was toen al langer dan 2 meter.
Stel je voor dat het toen kon (het was begin jaren 80, de walkman was net uitgevonden) en ik deze incidentjes had gefilmd, op internet had gezet en met veel bravoure met mijn matties gedeeld. Had Ruud Lubbers mij dan ook voor tuig uitgemaakt? Was ik dan ook door Sonja Barend uitgenodigd? Ik hoop van wel, samen met mijn maatjes had ik daar gezeten. ‘Fascisten’ en ‘politiestaat’ (de buzzwoorden van toen) had ik dan geroepen met mijn blonde lok, lange zwarte veer in mijn oor, opgemaakte ogen en afgetrapte schoenen.
Maar helaas, geen van deze incidentjes heeft enige aandacht gekregen. Als ik ’s ochtends wakker werd vroegen mij ouders: ‘hoe is het geweest?’. ‘Goed’ zei ik dan. De betreffende dienders maakten er ook geen woord aan vuil. ‘Geen noemenswaardige incidenten’ schreven zij in het overdrachtsschriftje en gingen naar huis.
Augustus 2016: twee gevallen helden op de Olympische Spelen
Eens in de vier jaar ontwaken de goden uit de vergetelheid en ontmoeten zij elkaar op de berg Olympus. Zij zijn dan voor twee weken weer op de plek waar zij duizenden jaren geleden heersten. Het samenzijn begint met een eenvoudig ritueel. Na de plichtmatige begroetingen buigen zij zich over de vraag: ’wie gaan wij deze keer volgen?’ De keuze was niet moeilijk geweest. Ondanks hun vergeten bestaan hadden zij de pijn van vernedering van hun volk gevoeld. Eén persoon had daar een sleutelrol in gespeeld, de voorzitter van de Eurogroep. Ze gruwden van die slungelige en zuinig kijkende man uit Nederland. Geen van de goden wist iets af dit volkje, maar dit tekort werd snel ingelopen.
In eerste instantie waren zij schuddebuikend over elkaar heen gebuiteld. Dolkomisch vonden ze de verslaggever die aan een wielrenner vroeg hoe hij zijn kansen schatte in Rio. Hij voegde daaraan toe ‘en zeg niet dat verschrikkelijke zinnetje het gaat om het meedoen en niet om het winnen’. Hilarische hoogmoed vonden ze dat. Een land dat met 242 sporters meedoet en gemiddeld 3,5 gouden medailles haalt, doet mee om te winnen.
Er was ook waardering. Een persoonlijke favoriet van Zeus was het interview met Mark Rutte na de openingsceremonie. ‘De mensen kunnen het thuis op de televisie veel beter zien dan ik hier. Je zit er te ver vanaf om echt goed te kunnen zien wat er gebeurt’ vertelde hij enigszins teleurgesteld aan de verslaggever. Om vervolgens opgewonden te vertellen over het overweldigende gevoel dat hij kreeg toen hij de Nederlandse sporters binnen zag komen. Zelden had Zeus in die 3000 jaar een beter voorbeeld gezien van huichelarij. Je bevoorrechte positie veinzen als een opoffering voor de natie. Gelukkig maakte de loutering, die hij ervoer toen de nationale helden het stadion betraden, zijn offerende toch nog zinvol.
Hierna was het wel gedaan met de positieve ervaringen. Ronduit smakeloos vonden zij de reclame waarin de heldentocht van de sporters werd gevolgd. Door de speetjes tussen hun handen die zij uit afschuw voor hun ogen hielden, zagen zij de helden in spe wanneer het hen maar een beetje tegen zat hun moeder bellen. Die moeder sprak de jonge sporter liefdevol en bemoedigend toe waarna de zegetocht werd vervolgd. Elk sterk persoon heeft een sterk persoon naast zich staan was de slogan van de reclame. Een loflied op de moeder. Wat een slapjanussen dachten de goden. Elk sterk persoon heeft minimaal tien sterke personen verslagen, dat was meer in hun lijn. Gelukkig was het einde van de reclame wel weer om te lachen, want die eindigde met de logo’s van Pampers, Ariel en Persil. Ronduit verbijsterd waren ze over het gedrag van de Koning en zijn metgezel. Die stonden als mislukte imitaties van mevrouw en meneer de Bok op dezelfde kinderlijke wijze als hun onderdanen de – over het algemeen verliezende – landgenoten aan te moedigen. Het merendeel van de goden had een te zwakke maag om dit te kunnen verdragen en braakten de zo juist genoten avondspijze luidruchtig uit.
De goden waren onthutst. Hoe heeft dit volk onze trotse Spartanen en verlichte Atheners zo kunnen vernederen? Ze zonnen op wraak en die kregen ze. Nauwkeurig zochten ze twee sporters uit die een grote kans hadden op een medaille en emotioneel instabiel waren. Ze kwamen uit op een wielrenster die de afgelopen jaren op exact dezelfde datum als waarop ze haar koninginnenrit in Rio zou rijden, ernstige blessures had opgelopen. Ook viel hun oog op een turner met een voorliefde voor het liederlijke leven.
En zo geschiedde. De onfortuinlijke wielrenster verdween als een dronken acrobaat in de struiken en de Heer der Ringen verliet daadwerkelijk beschonken het Olympische dorp via de achterdeur. De goden leunden voldaan achterover in hun gouden zetels. Aan de wraak van de goden ontsnapt geen sterveling.
Juli 2016 een golf van terreur spoelt over Frankrijk en Duitsland
Verbaasd keek ik naar de trein die naast mij was gestopt. Volgens de dienstregeling had deze pas over een kwartier moeten komen. Ik stapte in en vroeg aan de conducteur of dit de trein naar Middelburg was. Hij gaf geen antwoord en sloot de deuren. Zijn smalle gezicht, dikke snor en de kleine ronde brillenglazen waar zijn zware wenkbrauwen op leken te rusten, deden hij mij denken aan een filosoof uit het begin van de vorige eeuw. Ik liep de trein in, opende de deur van een coupe en ging naast een goedgeklede man van middelbare leeftijd zitten. Hij was druk in de weer met zijn telefoon en vloekte in het Turks. Toen hij mij zag ging hij over op het Nederlands en mopperde: ‘Die klote Wi-Fi hier’. Hij deed mij denken aan Hitler, zelfde snorretje, zelfde priemende ogen, alleen een dikker hoofd. ‘Ik speel Pokémon Go en heb bijna alle levels gehad, de onderwijzers, academici, militairen, nu wil ik de upgrade naar de gewone man’ vertelde hij opgewonden. Hij stond op, prikte met zijn wijsvinger in mijn borst en schreeuwde: ‘In mijn treinen is altijd snelle Wi-Fi’, hij pauzeerde even, ‘het volk wil Wi-Fi? Dan krijgt het overal Wi-Fi. Dat is democratie’. In zijn mondhoeken hadden zich kleine speekselvlokjes gevormd wat hem een nog waanzinnigere uitdrukking gaf. De kale jongen die tegenover hem zat keek even op van zijn telefoon, zei met een Gronings accent ‘de asielzoekersupdate ging anders wel snel’ en veegde snel met zijn vinger over het schermpje. ‘Hebbes, weer een kinderverkrachter minder’, mompelde hij zichtbaar in zijn nopjes. Verontwaardigd verliet ik de coupe en liep naar de volgende. Daar zag ik een zwarte vrouw zitten. Het hoofd op haar borst, ze sliep. Het was Sylvana Simons, naast haar lag een stapeltje A4tjes. Ik ging stilletjes naast haar zitten en bladerde door de stapel. ‘Geheim’ stond boven een van de velletjes papier. Het ging over een ontmoeting tussen haar en Fleur Agema. In het stuk las ik over de erkenning dat zij zonder elkaar niet kunnen bestaan en zij daarom samen het racisme- en discriminatiedebat ook in de zomer levend wilden houden. Het plan heette ‘Zomerpiet’ en bevatte een frontale aanval op Monseigneur Cannibale in de Efteling. Bang dat ik betrapt zou worden legde ik het stapeltje weer recht en liep even stil als ik was gekomen achterwaarts de coupe uit.
In het smalle gangetje werd ik bijna omver gelopen door een luchtig geklede mevrouw met haar 3 dochters, die er naar extreem-islamitische maatstaven onzedig uitzagen. ‘Ik zou maar uitkijken meneer’ zei de moeder, ‘er zit daar zo’n rare vent’ en wees naar achteren. Ik sloeg er weinig acht op, zal wel weer zo’n hysterische sociale mediajunk zijn dacht ik. Aangekomen in de door haar aangewezen coupe zag ik 4 chinezen op een bank zitten. De oudste man had het levenloze lichaam van zijn zoon in zijn armen, tussen zijn vingers door drupten dikke druppels bloed op de vloer. Ik bood direct mijn hulp aan maar ze reageerden niet. Ik rende door de trein op zoek naar de conducteur. Ik passeerde een coupe en keek of ik daar de besnorde treinhost zag. Hij was daar niet maar er zat wel iemand. Ik trok de deur open en vroeg om hulp. De man leek mij niet op te merken. Op het tafeltje voor hem had hij een tiental LEGO poppetjes staan die hij met een speelgoedvrachtwagen omver reed. Een verstandelijk gehandicapte dacht ik, en ging op zoek naar de begeleider. Die er niet bleek te zijn.
In mijn zoektocht naar hulp was ik bij het einde van het treinstel gekomen en trok de zware deuren open die een sluis vormden naar het volgende treinstel. Het was hier een stuk warmer en ik rook de kruidige geur van wierook. Aan de wanden waren oosterse tapijten gedrapeerd en op de achtergrond hoorde ik het rustgevende getokkel van een harp. Het hele rijtuig zat vol ‘met goede en schone jonge vrouwen met mooie ogen wier witte doorschijnende gewaad hun ronde, niet hangende, volle borsten nauwelijks verborgen’. Een van de jonge vrouwen liep naar mij toe. ‘Mijn martelaar’, fluisterde zij in mijn oor, ‘wie heb jij met het zwaard van Allah’s toorn doorkliefd?’ Ik hoorde de vraag amper en riep opgewonden: ‘help me, er zit daar een man met een zwaar gewond kind in zijn armen’. Zij deed een stap terug. ‘Nou en? Hij zou het wel verdiend hebben’ zei ze. ‘Ben jij wel een Moedjahedien?’ vroeg ze dreigend. Ik wilde wegrennen maar de vrouwen versperden mijn pad. Met wild maaiende armen trachtte ik de muur van jonge vrouwenlichamen te slechten. Dat lieten zij zich niet zo maar welgevallen en krasten met hun nagels op mijn rug en sloegen met hun kleine vuisten in mijn gezicht. Uiteindelijk worstelde ik mij naar een deur en opende die. De vrouwen deinsden terug.
De deur viel achter mij dicht en er was stilte. Ik stond in een schemerige, kleine bedompte ruimte. Voor mij stond een kale stenen zetel. Boven de zetel hing een bord met daarop in half vervaagde letters geschreven: ‘Ik ben God en al de andere goden die hebben en zullen bestaan’. In weerwil van de pretentieuze boodschap was de stenen zitplaats leeg. ‘Als je hem zoekt, hier is hij’ zei een stem van achter de zetel. Ik liep er naartoe en zag de conducteur zitten. Naast hem lag een skelet in een vergane mantel, een lange staf nog in zijn benige handen geklemd. ‘Wie is dit’ vroeg ik. ‘God,’ zei de conducteur terwijl hij opstond. ‘Verbaasde mij eigenlijk niets, ik wist altijd al dat hij dood was’ voegde hij er aan toe. ‘Wanneer is dat gebeurd?’ vroeg ik. ‘Geen idee’ antwoordde de conducteur, ‘hij lag hier al toen ik kwam’. Geschokt keek ik naar het hoopje beenderen. De conducteur legde zijn hand op mijn schouder. ‘Kom, we zijn er’ zei hij zachtjes. Ik liep naar de deur gaf hem een hand en stapte uit. Het was dezelfde plek als waar ik was opgestapt. Het perron was vol maar niemand leek de trein op te merken. Ik keek op de klok, er was geen seconde verstreken tussen mijn vertrek en aankomst.
Ik heb een nieuwe gewoonte. Ik zorg er tegenwoordig voor dat ik een half uur eerder op het station ben. Dan koop ik een pakje sigaretten, een croissant en een koffie bij de Kiosk. Voor de ingang van het station rook ik dan een sigaret en kijk naar de mensen die het station in lopen. Tot acht uur zijn het vooral mannen met werkschoenen in blauwe broeken. Na half negen verandert de populatie. Dan verschijnen de mannen in pakken en vrouwen in rokjes. Het merendeel van de passanten ontwijkt mijn blik, maar zo nu en dan maakt er iemand oogcontact wat leidt tot een voorzichtige glimlach of een harde onverschillige blik. Vandaag was ook weer zo’n dag. Ik stond deze keer aan de achterzijde van het station, sigaret en koffie in de hand, croissant net op.
‘Meneer, heb u een peuk voor me?’ Ik draaide mij om en keek in het gezicht van een dame die ik op een jaar of 60 schatte. Het geblondeerde haar zag er verzorgd uit. Dat was ook het enige. Een dikke smoezelige bontjas rustte op haar schouders en onder haar roze gelakte vingernagels zaten dikke vuile randen. Aan elke hand een volle plastic zak. Ik had verwacht dat ze onaangenaam zou ruiken, maar in tegendeel, er hing een aangename wat zoetige geur om haar heen. Haar platte beleefdheid en contrasterende verschijning maakte mij nieuwsgierig. Ik pakte een sigaret en gaf die aan haar.
‘Bedankt meneer, heb u ook vuur?’. Door de wind lukte het niet om haar een vuurtje te geven en ik bood haar mijn aansteker aan. ‘Nee, dat moet u doen’ antwoordde zij resoluut. ‘Dat lukt niet mevrouw, maar dan doen we het zo’. Ik drukte mijn brandende sigaret tegen die van haar. ‘Hoe noemden we dat vroeger ook al weer?’ vroeg ik. ‘Een overneukertje meneer’ antwoordde ze en zoog aan haar sigaret.
‘Teringlijers zijn het’ vervolgde zij ‘echte teringlijers, ze hebben de bontjas van mijn vader gejat’. Voordat ik het kon vragen gaf ze het antwoord ‘die officieren van justitie en die rechters’. Ze liep onrustig heen en weer en begon over haar advocaat te tieren. Die had alleen maar havo en zij atheneum. ‘En dan denk jij dat jij me ken helpen’ had ze tegen ‘die trut’ gezegd. Ik wilde graag weten waarom die bontjas was afgepakt maar durfde het niet te vragen en stelde een vraag over een neutraler onderwerp. ‘U komt uit Amsterdam zo te horen?’ Ze verstarde, mompelde iets onverstaanbaars en liep weg.
Ze kwam weer naar mij toe toen zij 2 politieagenten zag komen aanlopen. ‘Zo jongens, niks doen wat ik ook niet zou doen hé?’ riep ze hen toe. De agenten reageerden niet en stapten in hun auto. Dat was klaarblijkelijk niet de reactie die zij wilde en deed er nog een schepje bovenop. Ze trok haar bontjas open en ging heupwiegend voor de politieauto staan. Een van de agenten maakte oogcontact met mij en ik gaf hem een geruststellend knikje. Waarschijnlijk had zij dit al eerder gedaan en kende zij de grens, want op het moment de agenten de auto startten deed zij een stapje opzij en stopte de provocatie.
Ze vervolgde haar klaagzang. ‘Pappa’s bontjas, zijn spullen alles hebben ze weggenomen en straks mijn boeken ook nog, godverdomme‘. Ik kon mijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen en vroeg: ’moet u binnenkort weer naar de rechter dan? ’Weer schrok zij en deinsde terug. Pakte haar tassen en beet mij toe ‘jongen jij weet toch nergens van’. Met haar tassen slepend over de grond liep ze naar de stationshal. Nog één keer draaide zij zich naar mij om en riep ‘hoezo wil je met me mee dan’. Ze had haar bravoure weer gevonden en waggelde richting de stationshal.
Juli 2016: Chaos in het Verenigd Koninkrijk. Kopstukken Brexit stappen op
We kennen hem allemaal nog wel kapitein Francesco Schettino van de Costa Concordia. Voer iets te dicht langs de kant, raakte een rots en zat als eerste in de reddingsboot. Volgens de kapitein klopten de kaarten niet. Ik heb daar zo mijn vraagtekens bij. Want wat blijkt, de kapitein had een blonde dame op de brug ten tijde van het ongeluk.
‘You want to zie ze piepel on ze biets?’, vroeg de olijke geilaard, ‘O yes my breef kepietén’, antwoordde het blondje, sabbelend aan zijn oorlelletje. En zo geschiedde, schip op de klippen, 32 doden en miljoenen schade. Met de kaarten bleek niets aan de hand te zijn, de kapitein wilde gewoon neuken.
Mannen die willen neuken. Het blijft een ernstig onderschat maatschappelijk probleem. Bill Clinton verwoordde het ooit treffend: ‘It’s the economy stupid!’ Zijn levenswandel overziend, hoef je geen Sigmund Freud te heten om hierin een geraffineerde sublimatie te herkennen: ‘It’s the dick stupid!’ Dit verklaart ook het gedrag van de heren Nigel Farage en Boris Johnson. Boris dacht premier te worden. Zijn door het Engelse kostschoolregime verknipte brein maakte al overuren met fantasieën over strenge secretaresses, rode balletjes en zweepjes. Nigel een man van het volk, hoewel opgeleid aan privéscholen en een fortuin gemaakt op de beurs, had wat eenvoudigere behoeftes. Gewoon een paar lekkere wijven in het kabinet was voor hem voldoende. De rest is geschiedenis, Boris werd pootje gelicht en mevrouw May dreigt het voor het zeggen te krijgen. Nigel trok vervolgens aan zijn stutten……’die ik thuis heb zitten ziet er dan toch beter uit ….eh ik bedoel, ik wil mijn leven terug’.
Mevrouw Theresa May gaat The British Empire redden. Dat weet ik omdat ik ooit ene Ingeborg Beugel, ervaringsdeskundige en documentairemaakster over de overgang, het ‘droge poes syndroom’ bij Pauw heb horen uitleggen. Het droge poes syndroom komt er in het kort op neer, dat je geen zin meer in hebt in seks. Waar mannen bij de eerste tekenen van slapte al naar de Viagra grijpen, schijnen vrouwen hier niet mee te zitten. Daar wordt nogal lacherig over gedaan maar het is een zege voor de mensheid. Mevrouw May lijkt mij van die categorie. Een andere vrouw van wie ik vermoed dat zij van dit syndroom geniet is mevrouw Merkel. Zowel mevrouw May als mevrouw Merkel worden niet meer afgeleid door de kracht van het libido. Zij blinken daardoor uit in gelijkmatigheid en hebben een oermoederlijk gezag. Ik denk dat zij samen het rapaille kunnen weerstaan en er voor zorgen dat het Verenigd Koninkrijk de EU ordentelijke verlaat.
Er glooit meer hoop aan de horizon. Mevrouw Clinton, ook een lid van de club, stevent af op het presidentschap. De wereld gaat een goede tijd tegemoet. Nu nog mevrouw Poetin aan de macht, Erica Terpstra als premier en over een paar jaar Hirsi Ali als de eerste vrouwelijke Grootmoefti.
Dus vrouwen als jullie de post-seksuele levensfase bereiken, laat je dan niet door de hoon laten leiden en ga niet bij de farmaceutische industrie soebatten om ook een pilletje, maar doe waar jullie goed in zijn: de wereld redden het mannelijk libido.