
Kort verhaal mei 2019
Wilfried Raetzel roerde in zijn koffie. Vannacht had hij alweer gedroomd over die dode man. ‘Het kon niet anders’ mompelde Wilfried in gedachten tegen de stem die onlangs in zijn hoofd met hem was gaan praten. Het was een vrouwelijke stem die op een zangerige toon tot hem sprak alsof elke zin deel uitmaakte van een lofzang op het leven.
‘We waren een roedel bloeddorstige hyena’s’. De stem in zijn hoofd humde en Wilfried praatte verder. ‘Ik haatte de banaliteit en het ongeremde geweld van mijn familie. Ik wilde de wereld ontdekken, begrijpen…’
De stem in zijn hoofd viel hem zachtjes in de reden: ‘Je wilde de wereld beheersen, bezitten.’
….liefhebben….’
‘Met geweld?’
‘…. geliefd zijn’
De toon van de stem veranderde: ‘Door te doden en te roven?’
Wilfried zweeg.
‘Ik had geen keuze.’ zei hij even later verongelijkt. ‘Als ik het niet deed hadden zij het wel gedaan’. Hij wist dat dit niet de juiste antwoorden waren. Er waren geen goede antwoorden. De stem drong niet meer aan, ze had haar doel bereikt.
De dode man in de droom was in werkelijkheid Wilfrieds eerste schuldenaar geweest. Maandelijks haalde hij de aflossing met de gebruikelijke woekerrente bij hem op. Hij praatte dan uren met de man. Hij hield van die gesprekken. Voor het eerst in zijn leven kreeg hij aandacht, werd er naar hem geluisterd en zijn ideeën en verlangens niet belachelijk gemaakt. Zo nu en dan vertelde de man hem een verhaal uit zijn geboorteland India. Op een dag vertelde hij de mythe van de Draak. Wilfried was direct gefascineerd door dit mythische beest dat al sinds mensenheugenis en lang daarvoor door het universum zweefde. De draak had twee koppen, één van het Licht en één van het Duister, die beide streden om de heerschappij. Eens in de zoveel tijd lukte het de een om de kop van de ander van de romp te scheuren en die op te vreten. Die kop groeide in de loop der tijd weer aan, waarna het gevecht weer begon en het lot van de mensheid opnieuw werd bepaald.
Wilfried kon na dit verhaal aan niets anders meer denken. Hij herkende zich in de draak. Ook in hem streed zijn verlangen naar liefde en erkenning met zijn misdadige inborst. De draak had hem in zijn macht en Wilfried leed onder het constante gevecht in zijn hoofd. Dagen en nachten lag hij op zijn bed en keek vol afgrijzen naar de twee happende koppen. Soms, diep in de nacht, voelde hij de draak langs zijn lijf glijden en met zijn scherpe schubben zijn huid opscheuren. Tot hij op een ochtend zwetend wakker werd en wist dat zijn innerlijke strijd was beslecht. Hij stond op en liep direct naar de winkel van de man. Hij opende deur. Door het rinkelende belletje keek de man op van zijn werk en vroeg vriendelijk wat Wilfried kwam doen. ‘Waarom heb jij mij dat verhaal verteld?’ vroeg Wilfried en keek de man dreigend aan. ‘Wilde je mij gek maken en zo van je schuld afkomen?’
‘Ach jongen’ zei de man, ‘dat was toch maar een verhaal en legde zijn arm op zijn schouder.’ Wilfried zag de man niet meer. Hij keek recht in de ogen van een van de koppen van draak. ‘Jij bent de draak’ schreeuwde hij, rukte zich los en deinsde terug. Zijn hand trilde van angst toen hij de schaar die op de tafel lag pakte en hals van de kop die hem aanstaarde doorboorde. Ergens in de verte hoorde hij het gekrijs van een man maar die werkelijkheid drong niet tot hem door. Wilfried proefde de bloedspatten op zijn lippen en voelde voor het voor het eerst de woede en opwinding die hij hierna nog vaak zou ervaren. ‘Hak hem af’ beval de andere kop en hij hakte wild in op de kop die hij zojuist had doorboord. Toen werd het stil en Wilfried zag de man lag op de grond liggen. Bloed sijpelde uit vele wonden. Wilfried verstijfde toen hij de bebloede schaar in zijn handen zag. Huilend boog hij zich over de man en probeerde in paniek de bloedingen te stelpen, maar zijn handen waren te klein en de verwondingen te veel, te groot, te diep.
Met deze brute moord verloor hij niet alleen zijn naam, men noemde hem voortaan ‘de Indiër’, maar verbande hij ook zijn verlangen naar liefde en erkenning voor wie hij werkelijk wilde zijn uit zijn leven.
#
Alyan landde precies op tijd. Ze liep door de gate en haalde haar koffers van de band. In de verte zag zij Wilfried staan en ze voelde een steek in haar onderbuik. Ze liep op hem af en begroette hem hartelijk, warm en gulzig. Ze voelde zijn gespannen spieren onder zijn witte linnen overhemd. Altijd spanning dacht ze, altijd op z’n hoede.
‘Goede reis gehad?’ vroeg Wilfried en boog zich om haar koffers te pakken. ‘Jezus, wat zijn die zwaar.’ grapte hij. ‘Heb je de hele Kasjmir meegenomen?’.
‘Ondeugenderd’ antwoordde ze uitdagend en kneep hem zachtjes in zijn wang.
Die avond gingen ze vroeg naar bed. Wilfried lag op zijn zij en keek naar zijn slapende geliefde. Als goedheid een vorm heeft dan ziet het er zo uit dacht hij. Sinds hij haar kende leek alles anders te zijn. Liever en lichter. Door haar begon hij voor het eerst in zijn leven erin te geloven dat ook hij kon liefhebben en een goed mens kon zijn.
In zijn slaap hoorde hij de vrouwenstem weer. ‘Die kleermaker, waarom moest die dood? Wat had hij jou aangedaan? Wilfried kreunde. ‘Was het zijn goedheid, beschaving, verfijning?’ Dat wilde jij toch ook? Waarom hem dan vermoorden? Was je jaloers? Als gloeiende kanonskogels vuurde ze haar vragen op hem af.
De stem zweeg om Wilfried de gelegenheid te geven om te antwoorden. Maar het bleef stil.
‘Je was bang hé, Wilfried. Doodsbang om die ellendige cyclus van geweld en platvloersheid te doorbreken. Te laf om de man te zijn die de Raetzels daadwerkelijk uit de giftige zwaveldampen van de onderwereld zou bevrijden. Te beducht voor de spotternij van je duivelse familie. Die razernij om waar je zo naar verlangende maar niet durfde, die laffe woede, dat is de arme kleermaker fataal geworden.’
‘Maar hij was de draak.’ schreeuwde hij huilend. In het halfdonker zocht hij naar de troostende lippen van Alyan, die hij niet vond. Hij gooide dekens van zich af en liep de slaapkamer uit op zoek naar zijn geliefde.
Alyan stond in de bakkamer en keek in de spiegel en keek zichzelf in de ogen. ‘Ik moet opschieten’ de woorden joegen door haar hoofd. ‘Opschieten, opschieten’ en opende de enige koffer die zij nog niet had uitgepakt. Alyan pakte het mes uit de koffer, pakte het bij het ivoren heft dat in de vorm van een draak was uitgesneden en draaide het met de scherpe kant naar boven zoals haar broer haar had gezegd toen hij haar het gaf. Ze hoorde Wilfried schreeuwen in de slaapkamer en zag hem de badkamer binnenkomen. Ze liet zich door hem omhelzen, rilde en stak het mes diep in zijn rug. ‘Voor Vijaya Naryan Khoshoo’ fluisterde ze in zijn oor, ‘de kleermaker, mijn vader.’ Wilfried duwde haar van zich af, wankelde en viel voorover op de grond. In zijn hoofd hoorde hij de hysterische lach van de vrouwenstem langzaam wegebben.
De draak dreef weg. Uit het gat waar een van de koppen had gezeten lekte een lichtgevende vloeistof die het universum even in een oogverblind licht zette.
Bronnen: Het idee van de mythe van de Tweekoppige Draak komt van de oorspronkelijk beschrijving van deze mythe in Salman Rushdies roman ‘Shalimar de Clown’.
Den Haag, april 2019, deels herschreven mei 2019