God ontwaakt

Mei 2017: Geschreven voor- en voorgedragen tijdens- de opening van de expositie van Harald Jassoy (www.jassoy.nl) en Nancy Kroon (www.kroonkunst.nl) te Wateringen 

Ooit had god al zijn bovennatuurlijke krachten gebruikt om een gloeiend balletje ter grootte van een tennisbal te maken en die met een krachtige zwieper de leegte in te werpen. Uitgeput van deze inspanning bleef hij miljarden jaren in het niets, om opeens weer te verschijnen. Hij was verbijsterd over wat hij aantrof. Sterrenstelsels, zwarte gaten, oogverblindende supernova’s en beeldschone nevels. Hij had ooit een balletje opgegooid maar dit had hij nooit verwacht. Hij zwierf een aantal eonen door het zich uitbreidende heelal, zag de schoonheid, de vernietigende krachten, de complexiteit en wist zeker, dit ga ik nooit snappen. Toen bedacht god ons, een instrument dat hem de kennis zou verschaffen over wat hij zelf in gang had gezet.

En zo geschiedde, hij haalde diep adem en blies het leven in het universum. Daarna verdween hij weer in het ‘niets’ en wachtte af hoe het leven zich zou ontwikkelen.

Op een dag ontwaakte god, hij rekte zich even uit en ging op zoek naar het resultaat van die ene zucht. Zijn verwachtingen waren hoog gespannen, zou zijn ademstoot de resultaten van zijn eerdere baldadigheid overtreffen? De hele dag had hij door het uitdijende universum gezworven. Nergens was een spoor van zijn adem terug te vinden. Totdat hij laat in de avond arriveerde in een uithoek van het heelal in een van de spiraalarmen van een melkwegstelsel. Daar vond hij de enige planeet waar zijn adem was neergeslagen en getransformeerd tot wat hij gehoopt had: intelligent leven. Verrukt daalde god neer op aarde, nam de gedaante aan van een aardbewoner en wandelde over de planeet.

Antwoorden, daar was god naar op zoek. Verklaringen die de geheimen van zijn schepping zouden blootleggen, zodat hij kon begrijpen wat hij had gemaakt. Al snel had hij in de gaten dat hij de antwoorden van de tweevoeters moest krijgen, het andere leven was interessant om te zien maar had geen idee wat ze op aarde deden.

Hij dwaalde rond en was overweldigd door de diversiteit die hij zag. Hij was trots op zichzelf toen hij de schoonheid van de natuur zag en wat de tweevoeters daarmee hadden gedaan. Maar het kriebelde ook een beetje. Net als in het heelal zag hij schoonheid en vernietiging hand in hand gaan en vroeg zich af waarom hij dit zo had gecreëerd. Het antwoord wist hij, moest van de zich mensen noemende tweevoeters komen.

Vele mensen kruisten zijn pad en vertelde hem verhalen, over de andere mensen, over hem, over hoe de wereld in elkaar zit en over zichzelf. Hij deelde hun plezier, huilde om hun verdriet en koesterde hun dromen. Hij hield echt van deze mensen.

Langzaam begon het hem te dagen wie degenen waren waarvan hij de antwoorden over zijn schepping zou kunnen krijgen.

De eerste groep die hij nader beschouwde waren de gelovigen, mensen die dachten dat zij hem kenden. Bibliotheken hadden ze over hem vol geschreven en imposante bouwwerken voor hem gebouwd. Hadden hem vele namen gegeven en buitengewone krachten toegedicht. Hoewel dat laatste klopte vond hij het curieus dat zij hem dachten te kennen. Al deze mensen die naar hem op zoek waren en stellig geloofden dat zij het wisten. Daar was het hem niet om te doen geweest. Hij wilde weten hoe het zat. Niet om te weten wie hij was, dat wist hij zelf al. Het ergerde hem, juist door zich aan dit droombeeld van hem vast te klampen deden ze niet waarvoor ze door hem geschapen waren.

De volgende groep die hij bestudeerde waren de wetenschappers. ‘Eureka!’ riep hij toen hij hun geschriften had gelezen. Eerst had hij gedacht dat zij behoorden tot de gelovigen, maar nadat hij zich door de immense papiermassa had geworsteld die zij in de loop der eeuwen hadden geproduceerd, vond hij de antwoorden waar hij naar zocht. Niet zo maar verzinsels maar antwoorden die waren gebaseerd op de fundamentele natuurkrachten van zijn schepping. De zwaartekracht, de elektromagnetische kracht, de sterke en de zwakke kernkracht. Het bracht hem terug naar het moment waarin hij alles in dat kleine balletje had gestopt. Het stemde hem weemoedig. Als die verstreken tijd, al die jaren van onwetendheid en nu, nu had hij antwoorden. Hoopvol las hij verder maar verloor zich in grillige complexiteit van de kwantummechanica.

Met een harde klap sloot hij het laatste boek. Hij wist genoeg, nog lang niet alles maar wat hij had gelezen stemde hem tot tevredenheid. Nog een paar honderd jaar, dan waren alle antwoorden wel gevonden en kon hij eindelijk genieten van wat hij had gemaakt. Hij verheugde zich er op en ach het wachten, dat was geen probleem voor hem als meester van de tijd en ruimte.

Net voordat hij wilde vertrekken zag hij haar zitten. In haar smetteloze witte jurkje kraste zij met een potlood op een groot wit vel papier. ‘Een boom’ zei ze toen hij naast haar ging zitten. ‘Een hele lieve’ voegde zij eraan toe en tekende ogen, een neus en een mond in het midden van de boom. ‘Kijk hij lacht en hij kan ook goed luisteren’ en zij tekende twee oren aan de stam. Een boom die lacht en kan luisteren dacht god, dat had hij nog nooit gezien.

En zo ontdekte god op de valreep de verbeelding en dompelde zich in deze wereld onder. Hier waren geen gelovigen, maar ook geen wetenschappers. Het waren mensen die verhalen vertelden, opschreven, schilderden, boetseerden en in klanken vertaalden. Van alle mensen die hij tegen was gekomen waren zij degenen die hem het meeste raakten. Hij was gefascineerd en verbaasd, dit had hij nooit bedoeld toen hij het universum het leven schonk. Hij genoot van wat hij zag en hoorde. En verwonderde zich over de oneindige verbeeldingskracht van degenen die dat maakten.

Kunstenaars noemde hij hen, mensen die kunst maken. Hij voelde een verwantschap met deze mensen. Net als hij scheppen zij nieuwe werelden. Hoewel, zij kunnen de werelden bedenken en uitbeelden, hij kan ze écht maken. Maar toch, iets goddelijks dichtte hij hen wel toe.

God was in zijn nopjes. Hij had prachtige dingen gezien, de mensen leren kennen, antwoorden gekregen en ontdekt wat hij niet voor mogelijk had gehouden. Mensen die zijn schepping herschiepen en nog mooier maakten. Voldaan vertrok god van de aarde naar zijn vertrouwde niets. Hij keek nog een keer om en zag dat het goed was.

Den Haag – Erichem, 6 mei 2017

Plaats een reactie