Jutten jennen

september 2016: politie wordt gepest in Zaandam, Nederland in rep en roer

De politie wordt gepest, in Zaandam wel te verstaan. Afhankelijk van kleur van de media waarop het nieuws wordt gebracht ligt de nadruk op het gedrag in combinatie met de etniciteit of gedrag in combinatie met de maatschappelijke achterstand. Dat het gewoon vervelende kereltjes zijn die je in elk dorp in Nederland kunt tegenkomen heb ik nog nergens gelezen. Ook de premier heeft zich weer eens van zijn beste kant laten zien. Als een ware Topper hield hij de natie voor dat het gewoon tuig van de richel is. De politie verbergt zich ondertussen onder de dikke warme deken van het slachtofferschap. Zij kunnen er weinig aandoen, missen bevoegdheden. Kortom, die vermaledijde D66 rechters zouden eens wat strenger moeten straffen en die wegkijkers in Den Haag zouden de wet aan moeten passen. Een terroristische aanslag of lefgozertjes, het refrein is steeds hetzelfde.

Ik ben opgegroeid in een buurt waar de politie jennen een wijdverbreid gebruik was. We zochten het niet op maar als de kans zich voordeed lieten we die niet lopen. Ooit werden we een keer aangehouden. We zaten met z’n vieren in de auto, politiewagen achter ons, stopsignaal, gewoon doorrijden, klemgereden. Een politieagent rukte de deur open en schreeuwde: ‘als ik zeg stoppen dan is het stoppen, begrepen?. ‘Je hebt je pet niet op, dus ben je niet in volledig uniform en dan mag je ons helemaal niet laten stoppen’ jende degene achter het stuur en trok de deur dicht. Geen van ons wist of deze redenering wel klopte, maar het klonk plausibel. Een tweede agent kwam, een derde en een vierde stapte uit hun Mercedes. Een intimiderend gesprek volgde, dat eindigde met de zin ‘de volgende keer rijden we je achterkant eraf, dat recht hebben we’. Joelend namen we afscheid van de dienders die nu wel hun pet op hadden, waar wij hen nog even fijntjes op attendeerden.

Een ander voorbeeld van een geslaagde jennerij was toen de boulevard over de gehele lengte was afgezet met dranghekken. De volgende dag zou er een strandrace zijn. Om te voorkomen dat de overenthousiaste bezoekers op het strand te pletter zouden vallen was de afscheiding aan de rand van de boulevard geplaatst. De hekken waren aan elkaar vastgehaakt en vormden gezamenlijk een hekwerk van ongeveer 2 kilometer lengte. Een paar van deze dranghekken om gooien zou een domino-effect hebben. Aldus geschiedde, in mum van tijd lag 100 meter hek op het strand. Dat hadden wij niet gedaan, maar dat wisten de agenten die ons aanhielden niet. Een pesterig gesprek ontspon zich waarin wij expres de beschuldiging niet ontkenden en de, door ons vermeende, visuele handicap van beiden agenten een prominente rol lieten innemen. Hoe graag zij het ook wilden, ze konden niet bewijzen dat wij dat hadden gedaan en dropen af. Even later liepen we door een verlaten straat. Uit een zijstraat kwam een politiewagen op ons inrijden. Niet heel snel maar hard genoeg om ons de stuipen op het lijf te jagen. We stoven uiteen en ik zag een van de agenten nog lachend naar mij zwaaien. De verhoudingen waren weer even recht gezet.

Soms werd het wat grimmiger. Zo ben ik ooit ’s nachts uit het niets door een agent tegen de muur gegooid omdat hij dacht dat ik in een gestolen auto iemand had aangereden. Gelukkig had hij een collega die de onsterfelijke woorden sprak: ‘Kees, het was een Mini Cooper’. Ik was toen al langer dan 2 meter.

Stel je voor dat het toen kon (het was begin jaren 80, de walkman was net uitgevonden) en ik deze incidentjes had gefilmd, op internet had gezet en met veel bravoure met mijn matties gedeeld. Had Ruud Lubbers mij dan ook voor tuig uitgemaakt? Was ik dan ook door Sonja Barend uitgenodigd? Ik hoop van wel, samen met mijn maatjes had ik daar gezeten. ‘Fascisten’ en ‘politiestaat’ (de buzzwoorden van toen) had ik dan geroepen met mijn blonde lok, lange zwarte veer in mijn oor, opgemaakte ogen en afgetrapte schoenen.

Maar helaas, geen van deze incidentjes heeft enige aandacht gekregen. Als ik ’s ochtends wakker werd vroegen mij ouders: ‘hoe is het geweest?’. ‘Goed’ zei ik dan. De betreffende dienders maakten er ook geen woord aan vuil. ‘Geen noemenswaardige incidenten’ schreven zij in het overdrachtsschriftje en gingen naar huis.

Erichem, 10 september 2016

Plaats een reactie