Ik heb God gevonden

Juli 2016 een golf van terreur spoelt over Frankrijk en Duitsland

Verbaasd keek ik naar de trein die naast mij was gestopt. Volgens de dienstregeling had deze pas over een kwartier moeten komen. Ik stapte in en vroeg aan de conducteur of dit de trein naar Middelburg was. Hij gaf geen antwoord en sloot de deuren. Zijn smalle gezicht, dikke snor en de kleine ronde brillenglazen waar zijn zware wenkbrauwen op leken te rusten, deden hij mij denken aan een filosoof uit het begin van de vorige eeuw. Ik liep de trein in, opende de deur van een coupe en ging naast een goedgeklede man van middelbare leeftijd zitten. Hij was druk in de weer met zijn telefoon en vloekte in het Turks. Toen hij mij zag ging hij over op het Nederlands en mopperde: ‘Die klote Wi-Fi hier’. Hij deed mij denken aan Hitler, zelfde snorretje, zelfde priemende ogen, alleen een dikker hoofd. ‘Ik speel Pokémon Go en heb bijna alle levels gehad, de onderwijzers, academici, militairen, nu wil ik de upgrade naar de gewone man’ vertelde hij opgewonden. Hij stond op, prikte met zijn wijsvinger in mijn borst en schreeuwde: ‘In mijn treinen is altijd snelle Wi-Fi’, hij pauzeerde even, ‘het volk wil Wi-Fi? Dan krijgt het overal Wi-Fi. Dat is democratie’. In zijn mondhoeken hadden zich kleine speekselvlokjes gevormd wat hem een nog waanzinnigere uitdrukking gaf. De kale jongen die tegenover hem zat keek even op van zijn telefoon, zei met een Gronings accent ‘de asielzoekersupdate ging anders wel snel’ en veegde snel met zijn vinger over het schermpje. ‘Hebbes, weer een kinderverkrachter minder’, mompelde hij zichtbaar in zijn nopjes. Verontwaardigd verliet ik de coupe en liep naar de volgende. Daar zag ik een zwarte vrouw zitten. Het hoofd op haar borst, ze sliep. Het was Sylvana Simons, naast haar lag een stapeltje A4tjes. Ik ging stilletjes naast haar zitten en bladerde door de stapel. ‘Geheim’ stond boven een van de velletjes papier. Het ging over een ontmoeting tussen haar en Fleur Agema. In het stuk las ik over de erkenning dat zij zonder elkaar niet kunnen bestaan en zij daarom samen het racisme- en discriminatiedebat ook in de zomer levend wilden houden. Het plan heette ‘Zomerpiet’ en bevatte een frontale aanval op Monseigneur Cannibale in de Efteling. Bang dat ik betrapt zou worden legde ik het stapeltje weer recht en liep even stil als ik was gekomen achterwaarts de coupe uit.

In het smalle gangetje werd ik bijna omver gelopen door een luchtig geklede mevrouw met haar 3 dochters, die er naar extreem-islamitische maatstaven onzedig uitzagen. ‘Ik zou maar uitkijken meneer’ zei de moeder, ‘er zit daar zo’n rare vent’ en wees naar achteren. Ik sloeg er weinig acht op, zal wel weer zo’n hysterische sociale mediajunk zijn dacht ik. Aangekomen in de door haar aangewezen coupe zag ik 4 chinezen op een bank zitten. De oudste man had het levenloze lichaam van zijn zoon in zijn armen, tussen zijn vingers door drupten dikke druppels bloed op de vloer. Ik bood direct mijn hulp aan maar ze reageerden niet. Ik rende door de trein op zoek naar de conducteur. Ik passeerde een coupe en keek of ik daar de besnorde treinhost zag. Hij was daar niet maar er zat wel iemand. Ik trok de deur open en vroeg om hulp. De man leek mij niet op te merken. Op het tafeltje voor hem had hij een tiental LEGO poppetjes staan die hij met een speelgoedvrachtwagen omver reed. Een verstandelijk gehandicapte dacht ik, en ging op zoek naar de begeleider. Die er niet bleek te zijn.

In mijn zoektocht naar hulp was ik bij het einde van het treinstel gekomen en trok de zware deuren open die een sluis vormden naar het volgende treinstel. Het was hier een stuk warmer en ik rook de kruidige geur van wierook. Aan de wanden waren oosterse tapijten gedrapeerd en op de achtergrond hoorde ik het rustgevende getokkel van een harp. Het hele rijtuig zat vol ‘met goede en schone jonge vrouwen met mooie ogen wier witte doorschijnende gewaad hun ronde, niet hangende, volle borsten nauwelijks verborgen’. Een van de jonge vrouwen liep naar mij toe. ‘Mijn martelaar’, fluisterde zij in mijn oor, ‘wie heb jij met het zwaard van Allah’s toorn doorkliefd?’ Ik hoorde de vraag amper en riep opgewonden: ‘help me, er zit daar een man met een zwaar gewond kind in zijn armen’. Zij deed een stap terug. ‘Nou en? Hij zou het wel verdiend hebben’ zei ze. ‘Ben jij wel een Moedjahedien?’ vroeg ze dreigend. Ik wilde wegrennen maar de vrouwen versperden mijn pad. Met wild maaiende armen trachtte ik de muur van jonge vrouwenlichamen te slechten. Dat lieten zij zich niet zo maar welgevallen en krasten met hun nagels op mijn rug en sloegen met hun kleine vuisten in mijn gezicht. Uiteindelijk worstelde ik mij naar een deur en opende die. De vrouwen deinsden terug.

De deur viel achter mij dicht en er was stilte. Ik stond in een schemerige, kleine bedompte ruimte. Voor mij stond een kale stenen zetel. Boven de zetel hing een bord met daarop in half vervaagde letters geschreven: ‘Ik ben God en al de andere goden die hebben en zullen bestaan’. In weerwil van de pretentieuze boodschap was de stenen zitplaats leeg. ‘Als je hem zoekt, hier is hij’ zei een stem van achter de zetel. Ik liep er naartoe en zag de conducteur zitten. Naast hem lag een skelet in een vergane mantel, een lange staf nog in zijn benige handen geklemd. ‘Wie is dit’ vroeg ik. ‘God,’ zei de conducteur terwijl hij opstond. ‘Verbaasde mij eigenlijk niets, ik wist altijd al dat hij dood was’ voegde hij er aan toe. ‘Wanneer is dat gebeurd?’ vroeg ik. ‘Geen idee’ antwoordde de conducteur, ‘hij lag hier al toen ik kwam’. Geschokt keek ik naar het hoopje beenderen. De conducteur legde zijn hand op mijn schouder. ‘Kom, we zijn er’ zei hij zachtjes. Ik liep naar de deur gaf hem een hand en stapte uit. Het was dezelfde plek als waar ik was opgestapt. Het perron was vol maar niemand leek de trein op te merken. Ik keek op de klok, er was geen seconde verstreken tussen mijn vertrek en aankomst.

Ureterp-Den Haag-Erichem, 23 juli 2016

Plaats een reactie