Pappa’s bontjas

juli 2016 Toevallige ontmoeting op het station

Ik heb een nieuwe gewoonte. Ik zorg er tegenwoordig voor dat ik een half uur eerder op het station ben. Dan koop ik een pakje sigaretten, een croissant en een koffie bij de Kiosk. Voor de ingang van het station rook ik dan een sigaret en kijk naar de mensen die het station in lopen. Tot acht uur zijn het vooral mannen met werkschoenen in blauwe broeken. Na half negen verandert de populatie. Dan verschijnen de mannen in pakken en vrouwen in rokjes. Het merendeel van de passanten ontwijkt mijn blik, maar zo nu en dan maakt er iemand oogcontact wat leidt tot een voorzichtige glimlach of een harde onverschillige blik. Vandaag was ook weer zo’n dag. Ik stond deze keer aan de achterzijde van het station, sigaret en koffie in de hand, croissant net op.

‘Meneer, heb u een peuk voor me?’ Ik draaide mij om en keek in het gezicht van een dame die ik op een jaar of 60 schatte. Het geblondeerde haar zag er verzorgd uit. Dat was ook het enige. Een dikke smoezelige bontjas rustte op haar schouders en onder haar roze gelakte vingernagels zaten dikke vuile randen. Aan elke  hand een volle plastic zak. Ik had verwacht dat ze onaangenaam zou ruiken, maar in tegendeel, er hing een aangename wat zoetige geur om haar heen. Haar platte beleefdheid en contrasterende verschijning maakte mij nieuwsgierig. Ik pakte een sigaret en gaf die aan haar.

‘Bedankt meneer, heb u ook vuur?’. Door de wind lukte het niet om haar een vuurtje te geven en ik bood haar mijn aansteker aan. ‘Nee, dat moet u doen’ antwoordde zij resoluut. ‘Dat lukt niet mevrouw, maar dan doen we het zo’. Ik drukte mijn brandende sigaret tegen die van haar. ‘Hoe noemden we dat vroeger ook al weer?’ vroeg ik. ‘Een overneukertje meneer’ antwoordde ze en zoog aan haar sigaret.

‘Teringlijers zijn het’ vervolgde zij ‘echte teringlijers, ze hebben de bontjas van mijn vader gejat’. Voordat ik het kon vragen gaf ze het antwoord ‘die officieren van justitie en die rechters’. Ze liep onrustig heen en weer en begon over haar advocaat te tieren. Die had alleen maar havo en zij atheneum. ‘En dan denk jij dat jij me ken helpen’ had ze tegen ‘die trut’ gezegd. Ik wilde graag weten waarom die bontjas was afgepakt maar durfde het niet te vragen en stelde een vraag over een neutraler onderwerp. ‘U komt uit Amsterdam zo te horen?’ Ze verstarde, mompelde iets onverstaanbaars en liep weg.

Ze kwam weer naar mij toe toen zij 2 politieagenten zag komen aanlopen. ‘Zo jongens, niks doen wat ik ook niet zou doen hé?’ riep ze hen toe. De agenten reageerden niet en stapten in hun auto. Dat was klaarblijkelijk niet de reactie die zij wilde en deed er nog een schepje bovenop. Ze trok haar bontjas open en ging heupwiegend voor de politieauto staan. Een van de agenten maakte oogcontact met mij en ik gaf hem een geruststellend knikje. Waarschijnlijk had zij dit al eerder gedaan en kende zij de grens, want op het moment de agenten de auto startten deed zij een stapje opzij en stopte de provocatie.

Ze vervolgde haar klaagzang. ‘Pappa’s bontjas, zijn spullen alles hebben ze weggenomen en straks mijn boeken ook nog, godverdomme‘. Ik kon mijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen en vroeg: ’moet u binnenkort weer naar de rechter dan? ’Weer schrok zij en deinsde terug. Pakte haar tassen en beet mij toe ‘jongen jij weet toch nergens van’. Met haar tassen slepend over de grond liep ze naar de stationshal. Nog één keer draaide zij zich naar mij om en riep ‘hoezo wil je met me mee dan’. Ze had haar bravoure weer gevonden en waggelde richting de stationshal.

Den Haag, 17 juli 2016

Plaats een reactie